Opgesteld door Eric Frans, pensioenconsultant
Laatst bijgewerkt: 23 september 2026 · Volgende bronnencheck: 1 oktober 2026 · Informatief overzicht — zie disclaimer
De index-totaalscores over zes jaar (2021–2026) laten zien welke stelsels structureel verbeteren, stabiliseren of achterblijven. Bij Alle regio's zie je regiogemiddelden (dikke lijnen) plus Nederland; bij een enkele regio alle landen apart. Beweeg over een lijn voor de scores.
Consistente stijgers: Nederland, IJsland, Denemarken en Singapore tonen een gestage verbetering sinds 2021. Herstellers: Hongkong (+13,2 punten sinds 2021) en Maleisië (+11,1) maken een opmerkelijke inhaalslag. Stabiliteit: De Nordics en EU-core landen bewegen in een smalle band, wat op volwassen, goed gereguleerde stelsels wijst. Volatiliteit: Midden-Oosten en Latijns-Amerika tonen grotere schommelingen, deels door methodologische updates.
Vergelijk de index-totaalscore van 2025 met 2026. Kies een weergave en sorteervolgorde. Klik op een land om het te markeren in de scatterplot en tabel.
De grootste stijger is Hongkong (+6,7 punten), gevolgd door Saoedi-Arabië (+7,1) en Maleisië (+4,3). Zweden steeg met 3,9 punten. De grootste daler is Vietnam (−0,8). Nederland steeg licht (+0,6). Let op: kleine verschillen kunnen het gevolg zijn van methodologische aanpassingen, niet alleen van stelselwijzigingen.
Elke stip is één land; de bubblegrootte toont de vergrijzingsindex (65+ / 20-64). Klik op een stip om de bijbehorende rij in de tabel te markeren. De horizontale as toont het pensioenvermogen per inwoner (USD, 2024). Kies een deelindex en schakel tussen lineaire en logaritmische schaal.
Vergrijzingsindex (65+ / 20-64): de demografische druk op het stelsel. Een hoge waarde (grote bubble) betekent dat relatief minder werkenden de pensioenen moeten dragen — onafhankelijk van het opgebouwde vermogen. Japan (55%) en Italië (45%) springen eruit.
Netto pensioenvervangingsratio (% van netto loon): het werkelijke inkomensniveau dat het stelsel oplevert na belastingen en premies. Nederland staat met 96% aan de top binnen de OECD, maar dit zegt niet alles over de individuele ervaring. De ratio is gebaseerd op OECD Pensions at a Glance 2025 (average earner, mandatory schemes).
De scores komen uit de Marsh CFA Institute GPI 2026 (55 systemen). Het vermogen per inwoner is alleen opgenomen waar geverifieerd. De samenhang is beschrijvend en gevoelig voor de landenselectie — het aantal waarnemingen is te klein voor een harde statistische uitspraak.
Correlatie in volledige set (52 landen): Pearson r = 0,306 — een zwakke tot matige samenhang, berekend op de 2025-editie. Dit komt doordat landen met zeer lage of zeer hoge vermogens niet altijd de bijbehorende indexscores hebben; vermogen is slechts één van vele indicatoren.
Correlatie in top 10 (elite): Pearson r = 0,787 — een sterke samenhang. Binnen de best presterende stelsels is de relatie tussen opgebouwd vermogen en stelselkwaliteit veel duidelijker. Zie de Top 10-sectie voor de volledige analyse.
Caveat Noorwegen: De OECD meet in Noorwegen alleen pensioenfondsen (PF), niet de dominante verzekeringsregelingen. Daarom lijkt Noorwegen qua vermogen/bbp onderaan, terwijl het stelsel in werkelijkheid veel robuuster is. Dit type meetfout trekt de correlatie in de volledige set omlaag.
Bron: CFA Institute supplementary methodology report (Marsh CFA Institute GPI 2026); eigen berekening op basis van OECD Pension Markets in Focus en indexdata.
De top 10 van de Marsh CFA Institute GPI 2026 toont een opvallend sterker verband tussen pensioenvermogen en stelselkwaliteit dan de volledige set van 55 landen. Deze sectie analyseert waarom de correlatie in de elite (r = 0,787, berekend op de 2025-editie) bijna drie keer zo sterk is als in de volledige set (r = 0,306).
| # | Land | Regio | Grade | 2025 | Toereik. | Houdb. | Integr. | Per inwoner ($) | % bbp | Vermogen (mld) |
|---|
In de volledige set van 52 landen (2025-editie) is de correlatie tussen vermogen per inwoner en de totaalscore slechts r = 0,306. Dat komt doordat:
Conclusie: Vermogen is een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde voor een hoog Mercer-cijfer. In de elite is het verband veel duidelijker omdat de storende factoren (meetfouten, uitschieters, definitiekwesties) grotendeels zijn weggevallen.
Alle 55 landen met volledige indexscores, sub-indices, grades, 2025-2026 vergelijking, vergrijzingsindex (UN WPP) en netto vervangingsratio (OECD PAG). Klik op een kolomkop om te sorteren (opnieuw klikken keert de volgorde om). Gebruik het zoekveld om te filteren, of exporteer de dataset naar CSV.
De index heet sinds deze editie Marsh CFA Institute Global Pension Index (voorheen Mercer CFA GPI) en beoordeelt nu 55 systemen — nieuw zijn de Dominicaanse Republiek, Kenia en Qatar. Nederland is opnieuw #1 met 85,8 (Grade A; toereikendheid 87,7, houdbaarheid 82,6, integriteit 87,2) en behoort met Denemarken en IJsland tot de drie systemen met een A op álle sub-indices. Voor het eerst zijn er zes A-landen: Nederland, Denemarken (84,1), IJsland (84,0), Singapore (82,0), Israël (81,9) en Australië (80,6). Het rapport noemt de Wtp-hervorming expliciet: de overgang van DB naar DC (uiterlijk 2028) behoudt volgens de onderzoekers de sterke punten van het Nederlandse stelsel — "The transition ... is about evolving those strengths to better serve people, in an increasingly dynamic labor market" (Marc Heemskerk, Marsh). Gemiddelde score: 65,3; laagste: Argentinië (43,7). Weging ongewijzigd: toereikendheid 40%, duurzaamheid 35%, integriteit 25%.
| #↕ | Land↕ | Regio↕ | Grade↕ | 2026↕ | 2025↕ | Δ↕ | Toereik.↕ | Houdb.↕ | Integr.↕ | % bbp↕ | Per inwoner ($)↕ | Schuld↕ | Nettoschuld↕ | Vergrijzing↕ | Vervanging↕ |
|---|
Schuld en nettoschuld als percentage van het netto beschikbaar inkomen. Nettoschuld = brutoschuld min pensioenvermogen, omgerekend met een factor van circa 0,60 (benadering). 2024-scores niet beschikbaar voor Koeweit, Namibië, Oman en Panama (nieuw in 2025).
De Mercer CFA Institute Global Pension Index en de OECD Pension Markets in Focus meten fundamenteel verschillende dingen. Ondanks dat vermogen/bbp een onderdeel van de Mercer-score vormt, zijn de datasets niet direct inwisselbaar.
| Dimensie | Mercer CFA Institute Global Pension Index | OECD Pension Markets in Focus |
|---|---|---|
| Doel | Normatieve beoordeling: hoe goed presteert het pensioenstelsel als geheel voor de gemiddelde burger? | Feitelijke meting: hoeveel vermogen is daadwerkelijk gereserveerd voor pensioenuitkeringen? |
| Aard van de data | Kwalitatief-gewogen: ~50 indicatoren omgezet naar een score 0–100 via expert-gewogen, vaak niet-lineaire transformaties. | Kwantitatief-statistisch: directe optelling van bezittingen uit nationale rekeningen en toezichtsdata. |
| Eenheid | Indexscore 0–100 en lettercijfer (A t/m E). | Nationale valuta, % bbp en USD (marktkoers). |
| Aggregatie | 40% toereikendheid + 35% duurzaamheid + 25% integriteit; vermogen/bbp is 1 van 9 duurzaamheidsindicatoren (effectief 5,25% van totaal). | Optelling van alle pensioenvoertuigen per land; geen weging of normering. |
| Normering | S2 gebruikt een niet-lineaire curve: maximale score bij 175% bbp, 0 bij 0% bbp. | Geen normering: een land met 10% en een land met 200% bbp worden één-op-één gerapporteerd. |
| Tijdshorizon | Jaarlijkse momentopname (2025), deels gebaseerd op meerjarige structurele kenmerken. | Jaarreeksen (2023–2024) met historische tijdserie sinds jaren '90. |
| Beperking | Subjectiviteit in indicatorkeuze en weging; internationale vergelijkbaarheid hangt af van onderliggende aannames. | Vermogen ≠ toereikendheid: zegt niets over dekkingsgraad, uitkeringshoogte of verdeling; definities verschillen per land. |
Mercer's duurzaamheidsindicator S2 ("pensioenvermogen als % bbp") zet de OECD-verhouding via een afvlakkende curve om in een score op 10. Winst bij lage niveaus telt zwaarder dan winst bij hoge niveaus.
S2 is één van de negen sub-indicatoren binnen de Houdbaarheid-dimensie (Sustainability) van de Mercer CFA Institute Global Pension Index. De "S" staat voor Sustainability; de "2" is het volgnummer van de indicator.
S2 meet: "Pensioenvermogen als percentage van het bruto binnenlands product (bbp)". Het is dus een ruwe vermogensratio die door Mercer wordt getransformeerd naar een score op 10 via een niet-lineaire curve. De curve stijgt sterk bij lage waarden (0–100% bbp) en vlakt af bij hoge waarden (100–175% bbp). Boven 175% bbp wordt de maximale score van 10 bereikt.
S2 weegt voor 15% van de Houdbaarheidssubscore, die op zijn beurt 35% van de totaalscore uitmaakt. S2 is dus effectief 5,25% van het eindcijfer — klein, maar niet verwaarloosbaar.
Het pensioenvermogen als percentage van het bbp, uit de OECD-data. Voor Nederland circa 151 procent.
De curve stijgt snel bij lage waarden en vlakt af naar boven. Boven 175% bbp is de maximale S2-score bereikt.
De S2-uitkomst voedt samen met demografie, groei en dekking de houdbaarheids-deelindex (35% van de totaalscore).
| Land | OECD % bbp (2024) | Mercer S2 (/10) | Duiding |
|---|---|---|---|
| Denemarken | 206,4% | 10,0 | Hoogste % bbp én maximale S2-score |
| IJsland | 191,3% | 9,1 | Boven 100%: extra groei levert minder scorewinst op |
| Nederland | 150,9% | 9,4 | Boven 100%: extra groei levert minder scorewinst op |
| Australië | 135,1% | 9,2 | Boven 100%: extra groei levert minder scorewinst op |
| Zweden | 115,8% | 9,1 | Boven 100%: extra groei levert minder scorewinst op |
| Singapore | 82,0% | 6,8 | Onder 100%: extra groei levert meer scorewinst op |
| Finland | 65,2% | 7,1 | Onder 100%: extra groei levert meer scorewinst op |
| Israël | 69,4% | 2,2 | Laagste S2 van de top 10 ondanks gemiddeld % bbp |
| Chili | 59,3% | 6,7 | Onder 100%: extra groei levert meer scorewinst op |
| Noorwegen | 10,1% | 6,7 | OECD-cijfer dekt alleen pensioenfondsen; verzekeringsregelingen ontbreken |
De afvlakking verklaart waarom een land met extreem hoog vermogen niet automatisch de hoogste houdbaarheidsscore haalt. Nederland dankt zijn koppositie aan consistent hoge scores op alle drie de deelindices, niet aan één uitschieter. S2 telt voor 15% van de duurzaamheidssubscore — effectief 5,25% van de totaalscore.
Nederland staat op plaats 1 van de 55 landen met een indexscore. Hieronder de vergelijking met directe buurlanden en andere grote economieën.
Toereikendheid: 87,7 (zeer hoog — het stelsel levert adequate inkomensvervanging)
Houdbaarheid: 82,6 (hoog — demografische en financiële fundamenten zijn solide)
Integriteit: 87,2 (zeer hoog — governance, regelgeving en communicatie scoren uitstekend)
Nederland is één van slechts drie systemen (naast Denemarken en IJsland) die in 2026 een A-grade op álle drie de deelindices hebben. Dat maakt de koppositie structureel, niet het resultaat van één uitschieter.
Nederlandse pensioenfondsen hedgen renterisico van lange verplichtingen vooral met renteswaps (fixed receiver). Dat verlaagt de rentegevoeligheid van de dekkingsgraad, maar creëert margin call-risico als de rente stijgt: extra onderpand (meestal cash) moet direct worden bijgestort.
Een hogere dekkingsgraad bij rentestijging (zoals in 2022 en 2025) kan samengaan met acute cashbehoefte. Matching/hedge via swaps is dus geen “gratis” duration. Onder Wtp blijft renterisico relevant (beschermingsrendement, lifecycle nabij pensioen). Liquiditeitsbuffers, central clearing en welke bonds je als eerste verkoopt horen naast de dekkingsgraad in het risicobeeld.
Bron: Jansen, Klingler, Ranaldo & Duijm — Pension Liquidity Risk (Review of Financial Studies, advance publication 2026, DOI: 10.1093/rfs/hhag068). Open access (CC BY 4.0). Data via DNB; weergave hier is een samenvatting, geen reproductie van het artikel.
Actuele sectorcijfers van De Nederlandsche Bank: hoeveel fondsen zijn al over naar het Wtp-stelsel, welk vermogen zit nog onder het FTK, en hoe staat de dekkingsgraad ervoor?
Bron: DNB — Transitie en dekkingsgraad pensioenfondsen 2e kwartaal 2026 (28 juli 2026). Totaal belegd vermogen €1.720 mrd per 30 juni 2026. Zie ook DNB Statistiek.
Actuele dekkingsgraad en beleidsdekkingsgraad van fondsen die nog onder het financieel toetsingskader vallen. De beleidsdekkingsgraad is het 12-maands gemiddelde.
Met een sectordekkingsgraad ruim boven de 130% is de financiële ruimte voor invaren en invaarbonus gunstig. DNB rapporteert dat eind Q2 2026 de beleidsdekkingsgraad op 127,7% lag. Fondsen die invaren bij hoge dekkingsgraden kunnen een groter deel van de buffers als eenmalige verhoging aan deelnemers toekennen (invaarbonus, sectorbreed vaak in de orde van 5–25%, met eerdere schattingen rond ~14% gemiddeld).
| Fonds | Status | Indicatie DG | Opmerking |
|---|
Indicaties op basis van openbare fondspublicaties en DNB-aggregaten (2025–juli 2026). Individuele peildata verschillen; raadpleeg altijd de fondswebsite. Voorbeelden: ABP dekkingsgraad · DNB.
De Mercer-index beoordeelt het stelsel als geheel. OECD PAG meet hoeveel procent van het loon het pensioen (verplicht, publiek + privaat) oplevert — bruto en netto, voor lage, gemiddelde en hoge verdieners.
Percentage van het bruto loon dat het verplichte pensioen oplevert bij een volledig carrièrepad. Lage verdieners (0,5× gemiddeld loon) hebben vaak een hogere ratio door herverdeling; hoge verdieners (2×) een lagere.
Gepensioneerden betalen doorgaans minder belasting en sociale premies dan werkenden. Daardoor ligt de netto vervangingsratio systematisch boven de bruto-ratio. Voor Nederland is het verschil groot: bruto rond de 75% voor de average earner, netto richting de 96%. OECD-gemiddelde netto mandatory: circa 63%.
Bron: OECD Pensions at a Glance 2025 · Gross replacement rates (hoofdstuk). Cijfers zijn modelmatige future gross/net replacement rates voor full-career workers in mandatory schemes. Netto-NL ~96% komt overeen met de KPI in dit dashboard; bruto-waarden zijn afgeronde OECD-publicatiecijfers.
Data die de Mercer-ranking, de Wtp-transitie en de OECD-vervangingsratio's in context zetten: invaarbonus, gender gap, effectieve uittredeleeftijd, huishoudschuld, DC-premiespreiding en sectorallocatie.
Bij invaren wordt een deel van de buffers vaak als eenmalige verhoging aan deelnemers toegekend. De hoogte hangt vooral af van de dekkingsgraad op invaardatum.
Kamerbrieven monitoring Wtp · fondspublicaties · ABN AMRO Research (transitie & invaarbonus) · DNB Q2 2026
De gender pension gap meet het verschil in maandelijkse pensioenuitkering tussen mannen en vrouwen. OECD-gemiddelde ligt rond een kwart; Nederland hoort bij landen met een groter verschil (>35% in OECD PAG 2025). Oorzaken: deeltijdwerk, loopbaanonderbrekingen, sectorale verschillen — niet alleen het stelselontwerp.
De effectieve pensioenleeftijd (CBS) lag in 2025 op 66 jaar en 4 maanden voor werknemers — hoger dan het jaar ervoor. 40% ging vóór 67 met pensioen (was 46%). Bron: CBS — gemiddelde pensioenleeftijd 2025 · OECD PAG 2025
Mercer noemt de hoge Nederlandse huishoudschuld expliciet als verbeterpunt, ondanks de #1-positie. Pensioenvermogen is illiquide; schuld drukt de netto vermogenspositie van huishoudens.
Bron: Marsh CFA Institute Global Pension Index 2026 — NL #1 · CBS SDG 10.2 Financial sustainability
In premieovereenkomsten lopen werkgeverspremies sterk uiteen. Dat heeft grote gevolgen voor de uiteindelijke uitkering — onafhankelijk van stelselkwaliteit op macroniveau.
Premiepercentages variëren van ongeveer 5% tot meer dan 20% van het loon. Beleggingsvrijheid wordt weinig actief gebruikt; de meeste deelnemers blijven bij de standaard lifecycle. Bron: AFM Sector in beeld Pensioenen 2026
Allocatie is een gestileerde sectorindicatie (aandelen / vastrentend / alternatief). Werkelijke mix verschilt sterk per fonds en lifecycle-leeftijd.
Bronnen: DNB Statistiek · Pensioenfederatie / Bell 2025 · fondsenjaarverslagen
Voorproefje van het jaarlijkse Bell-onderzoek op basis van 10 grote fondsen (samen ~70% van het belegd vermogen). Volledige sectorpublicatie volgt in het najaar. Cijfers zijn daarmee indicatief voor de top, niet per se voor elk klein fonds.
Vergelijk kosten per deelnemer (administratie/Wtp) los van kosten % vermogen (beleggen). Een dalende vermogensbeheerratio kan samengaan met stijgende euro’s pensioenbeheer. Het technische resultaat laat zien waarom een negatief beleggingsjaar niet automatisch een slechter dekkingsbeeld betekent.
Bron: Bell — Eerste inzicht uitvoeringskosten 2025 (13 juli 2026) · PDF voorproefje WIU 2026. Steekproef: ABP, Vervoer, bpfBOUW, PMT, PME, PGB, Philips, Rabobank, Shell, PFZW.
De Mercer- en OECD-topcijfers gelden voor het stelsel als geheel en modelpaden met volledige carrière. Zelfstandigen, flexwerkers en mensen met gaten in loondienstopbouw bouwen vaak minder 2e-pijlerpensioen op.
Een hoog Mercer-cijfer en een hoge OECD-vervangingsratio voor de average earner zeggen weinig over de individuele uitkomst van zzp'ers of mensen met gebroken carrières. Voor een compleet beeld hoort naast stelselkwaliteit ook de dekkingsgraad van de beroepsbevolking in de 2e pijler. Bron: CBS · Netspar · beleidsdebatten SZW
Onderstaande blokken vullen de eerder openstaande gaten. Cijfers zijn indicatief / best-effort op basis van publieke bronnen; peildata en definities verschillen. Altijd de originele publicatie raadplegen bij besluitvorming.
Nederlandse publieke pensioenuitgaven (% bbp) liggen onder het OECD-gemiddelde; de hoge totale vervangingsratio komt vooral door de verplichte 2e pijler. Het fiscale regime (uitstel van heffing, EET-achtig) impliceert een materiële budgettaire faciliteit — in oudere ramingen orde 1–1,5% bbp; actuele CPB/OECD-tax-expenditure-reeksen lopen uiteen naar definitie. Bron: OECD PAG · OECD fiscal cost of tax incentives · CPB/Ministerie van Financiën tax expenditures
Leeftijdsverdeling is illustratief (stijgend met leeftijd tot pensionering). Bron: CBS SDG 10.2 — estimated mean pension assets €178.700 (2024)
62,1% samenwonenden · 37,9% alleenstaanden · 53,1% vrouwen · 9,1% woont in buitenland (top: België, Duitsland, Spanje). Bron: SVB — AOW'ers 1e kwartaal 2026 · CBS sociale zekerheid kerncijfers
De dekkingsgraad reageert sterk op rente via de contante waarde van verplichtingen. Indicatieve sector-duration verplichtingen ligt vaak in de orde 15–20+ jaar; renteafdekking verschilt per fonds (jong vs. oud, FTK vs. Wtp-lifecycle).
Geen uniforme DNB-publicatie van één sector-duration; waarde is best-effort op basis van ALM-praktijk en fondspublicaties. Bron: DNB Statistiek · fonds-jaarverslagen / ALM
NL pensioenproducten en lifecycles zijn overwegend Art. 8; Art. 9 is kleiner. Exact sector-% varieert per peiling (ESMA / fondsen).
Bron: VBDO · Eerlijke Geldwijzer · ESMA SFDR · fondsen PCAF
Nederland kent een hoge CAO-dekking in loondienst; pensioen is vaak verplicht via bedrijfstakfonds. Exacte %-dekking van pensioenregelingen (niet alleen CAO) verschilt van de algemene CAO-dekkingsgraad.
Raadpleeg actuele tabellen: SZW Mozard CAO-database · AWVN CAO-kijker
| Fonds | Invaar / planning | Indicatie bonus | Toelichting |
|---|
Indicaties op basis van fondspublicaties en mediaberichten; geen officiële uniforme DNB-tabel. Bron: fondsen · Kamerbrieven · DNB Q2 2026
AFM signaleert spreiding van ca. 5% tot >20%. Onderstaande waarden zijn illustratieve bandbreedtes per type aanbieder — geen formele AFM-ranglijst.
Premieverschillen leiden tot grote ongelijkheid in eindkapitaal. Beleggingsvrijheid wordt weinig gebruikt. Bron: AFM Sector in beeld Pensioenen 2026
De vijf grootste fondsen van Nederland vertegenwoordigen samen ruim 10 miljoen deelnemers. Onderstaand de kerncijfers per fonds: dekkingsgraad, rendement, indexatie en Wtp-status. Dekkingsgraden zijn actuele/laatst bekende peildata (Q3 2026); verwijs naar de fondswebsites voor de maandstand.
| Fonds | Deelnemers | Dekkingsgraad | Rendement 2026 | Indexatie 1-1-2026 | Wtp-overgang | Uitvoerder |
|---|---|---|---|---|---|---|
| ABP | 3,1 mln | 128,7% (sep 2026) | kwartaalcijfers via fonds | +2,8% | 1 jan 2027 (solide premieregeling) | APG |
| PFZW | ±3,0 mln | 125,7% (eind 2025) | +0,4% (Q1 2026) | ±12% bij overgang* | 1 jan 2026 — gerealiseerd | PGGM |
| bpfBouw | ±700.000 | 141% (eind 2025) | +5,7% (H1 2026) | tot 20,8% bij overgang* | 1 jan 2026 — gerealiseerd | APG |
| PMT | ±700.000 | 122,6% (eind 2025) | ±5-6% (H1 2026) | +8,3% bij overgang* | 1 jan 2026 — gerealiseerd | PGGM |
| PME | ±626.000 | 129,4% (sep 2026) | kwartaalcijfers via fonds | +2,82% | 1 jan 2027 (solidaire premieregeling) | TKP |
* De eenmalige verhogingen bij PFZW, bpfBouw en PMT zijn het gevolg van de omrekening naar het nieuwe stelsel per 1 januari 2026 (overgangsdoc), geen reguliere indexatie. Dekkingsgraden: fondsen rapporteren maandelijks/periodegebonden; peildata verschillen per fonds. Bronnen: ABP dekkingsgraad · PFZW · bpfBouw · PMT · PME · DNB Q2 2026
ABP en PME staan er met dekkingsgraden van respectievelijk 128,7% en 129,4% zeer goed voor, maar hoeveel deelnemers daarvan terugzien hangt af van de financiële stand op het moment van overgang (beide fondsen stappen per 1 januari 2027 over). Bij de al overgestapte fondsen (PFZW, bpfBouw, PMT) is de eenmalige verhoging bij de omrekening al doorgevoerd; nieuwe verhogingen zijn daar beperkter (PFZW verwacht voor 2027 ca. +0,66%).
Indexatie is jarenlang hét pijnpunt van het Nederlandse stelsel geweest: tussen 2013 en 2021 indexeerde het merendeel van de fondsen 0%. Sinds 2022 keren de kansen. Onderstaand de daadwerkelijke verhogingen bij de grote fondsen en de sectorbrede cijfers.
| Fonds | Indexatie 1-1-2024 | Indexatie 1-1-2025 | Indexatie 1-1-2026 | Verwachting 1-1-2027 |
|---|---|---|---|---|
| ABP | volledig | volledig | +2,8% | afhankelijk van stand bij overgang (1-1-2027) |
| PFZW | volledig | volledig | ±12% (omrekening Wtp) | +0,66% (indicatie) |
| bpfBouw | volledig | volledig | tot 20,8% (omrekening Wtp) | nog niet gepubliceerd |
| PMT | volledig | volledig | +8,3% (omrekening Wtp) | afhankelijk van nieuwe regeling |
| PME | volledig | volledig | +2,82% | afhankelijk van stand bij overgang (1-1-2027) |
Indexatiepercentages per 1 januari van het betreffende jaar. Bij fondsen die in 2026 zijn overgestapt betreft de "indexatie 2026" grotendeels de eenmalige verhoging door omrekening naar het nieuwe stelsel, geen reguliere indexatie. "Volledig" = compensatie voor inflatie conform beleidsdekkingsgraad-kader. Bronnen: fondsjaarverslagen en persberichten · DNB Statistiek · Pensioenfederatie
Bron: DNB Wtp · PwC pensioenactualiteiten Q1 2026 (vierde voortgangsrapportage minister Paul, 22-1-2026)
De opleving van de indexatie sinds 2022 is vooral een gevolg van de gestegen rente. Maar in het nieuwe stelsel (Wtp) vervalt de beleidsdekkingsgraad als graadmeter: verhogingen zijn gekoppeld aan het individuele kapitaal en de gekozen risicoprofiel. De eerste ervaringen (PFZW +0,66% voor 2027) laten zien dat de tijd van automatische volledige indexatie voorbij is.
Wie bij een fonds zat dat jarenlang niet indexeerde, heeft nu een structureel lager pensioen dan deelnemers bij goed geindexeerde fondsen. Dezelfde werkgever/premie, andere uitkomst. Dit verdelingsvraagstuk blijft ook in het nieuwe stelsel bestaan via de omrekening van aanspraken.
De transitie van pre-Wtp naar Wtp is niet alleen een uitvoerings-, maar ook een juridisch traject. Sinds de ingangsdatum van de Wtp (1 juli 2023) zijn de eerste relevante uitspraken gepubliceerd over het invaren, de rechtmatigheid van transitieplannen en de toetsing van spreidings- en compensatieafspraken. Deze sectie inventariseert de uitspraken die specifiek betrekking hebben op de transitie van het oude naar het nieuwe stelsel — chronologisch, met link en kern van het oordeel.
| Datum | Instantie | Zaak / vindplaats | Essentie van de uitspraak | Relevantie transitie |
|---|---|---|---|---|
| 28 sep 2023 | Rechtbank Midden-Nederland (kort geding) | ECLI:NL:RBMNE:2023:7736 (Bpf Kappers vs. sociale partners) | Eerste uitspraak na inwerkingtreding Wtp. Conflict over aanpassing van de regeling wegens de verlaagde toetredingsleeftijd (21→18 jaar): drempelregeling (partners) vs. franchiseregeling (fonds/TKP). Rechtbank: marginaal toetsen; het fonds heeft een zelfstandige verantwoordelijkheid voor beheerste bedrijfsvoering en heeft voldoende onderzoek gedaan; de rechter kiest niet zelf tussen twee regelingen. | Verhouding sociale partners ↔ pensioenfonds ↔ uitvoerder tijdens een Wtp-wijziging: het fonds is geen "uitvoeringsloket" maar een zelfstandige verantwoordelijke. |
| 13 feb 2024 | Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer, vonnis in incident) | ECLI:NL:RBDHA:2024:1687 (deelnemer vs. de Staat / landsadvocaat) — AR-Updates 2024-0255, PR-Updates PR-2024-0056, PJ 2024/46 | Vroegste gepubliceerde Wtp-gerelateerde uitspraak. Een (ex-)deelnemer vordert afgifte van de adviezen die de landsadvocaat aan de Staat heeft verstrekt in het kader van de Wet toekomst pensioenen — vermoedelijk om de juridische onderbouwing van de stelselwijziging te kunnen aanvechten. Rechtbank wijst de vordering af: geen toereikende grondslag voor afgifte. | Toont dat verzoeken om de Wtp zelf aan te vallen al vóór de eerste invaarbesluiten speelden — via de openbare weg (Wob/woo-achtige routes) werden de juridische adviezen van de Staat opgevraagd. Signaalzaak over de Wtp-grondslag, geen uitspraak over de transitie zelf. |
| 23 jul 2024 | Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer) | ECLI:NL:RBDHA:2024:13255 (ABP-deelnemer vs. de Staat) — geannoteerd in PJ 2024/108 | Eerste gepubliceerde Wtp-transitie-uitspraak. Een (ex-)deelnemer met ABP-uitkering vordert dat niet wordt ingevaren, omdat zijn onder het oude stelsel opgebouwde uitkering (waarop een eigendumsrecht kan rusten) wordt omgezet in een premieregeling met fluctuerende uitkeringen. Rechtbank: pensioenrechten zijn niet absoluut onveranderlijk; de pensioenovereenkomst blijft na het dienstverband van kracht en kan krachtens de Wtp worden gewijzigd — maar aan het invaren moet een rechtsgeldige wijziging van de pensioenovereenkomst voorafgaan. Vorderingen afgewezen. | Basistoon voor het hele transitiedebat: de rechter erkent én de eigendumsrechtelijke bescherming van opgebouwde aanspraken, én de wettelijke ruimte om te invaren — mits de contractuele basis (rechtsgeldige wijziging) klopt. |
| 18 feb 2025 | Gerechtshof Den Haag | ECLI:NL:GHDHA:2025:136 (Unirobe Meeùs Groep / Aon) | Hof toetst een eerdere regelingwijziging (2016) van een verzekerde middelloonregeling bij Aegon. Het zwaarwegend belang van de werkgever is onvoldoende aangetoond. Voor de Wtp essentieel: de regeling valt onder het overgangsrecht (art. 220e Pw, eerbiedigende werking), dus de progressieve premie hoefde niet per 1-1-2021 te verdwijnen; een toekomstige Wtp-overgang en de daarbij horende compensatie moeten afzonderlijk worden beoordeeld. | Kernarrest voor compensatie bij verzekeraars/PPI's: schade door een eerdere wijziging, toekomstige Wtp-effecten en Wtp-compensatie mogen juridisch niet in één schadeberekening worden samengevoegd. |
| 27 mrt 2025 | Rechtbank Rotterdam, voorzieningenrechter (bestuursrecht) | ECLI:NL:RBROT:2025:3911 (pensioenfonds vs. DNB) | DNB had op 30 juli 2024 een verbod tot collectieve waardeoverdracht (CWO) — de klassieke invaarroute — opgelegd en dat besluit openbaar gemaakt. Voorzieningenrechter: het verbod is een bestuurlijke sanctie, DNB is bevoegd tot openbaarmaking en heeft een juiste belangenafweging gemaakt; schorsing geweigerd. | De invaarroute wordt ook via het bestuursrecht afgedwongen: bij een DNB-verbod riskeert een fonds niet alleen stilstand van de transitie, maar ook openbare publicatie (reputatieschade). |
| 10 apr 2025 | Rechtbank Oost-Brabant | ECLI:NL:RBOBR:2025:2163 (verjaring pensioenschade) | Geen Wtp-transitiezaak, maar bepalend voor toekomstige claims: het hof/rechtbank past de absolute verjaringstermijn van 20 jaar toe op oude pensioenschade. De minister van SZW bevestigde later in antwoord op Kamervragen dat dit ook geldt voor fouten bij invaren (conversiefactoren, toedeling, rekenfouten) — het schadeveroorzakende moment is daarbij doorslaggevend. | Verjaring is een afzonderlijk juridisch aandachtspunt bij de verwachte golf van invaarclaims; de rechter bepaalt uiteindelijk de toetsing van rekenfouten. |
| 19 aug 2025 | Gerechtshof Den Haag | ECLI:NL:GHDHA:2025:1542 (Aon/UMG — vervolg) | Hof bouwt voort op het arrest van februari 2025 en behandelt uitvoerig compensatie bij verzekerde regelingen: art. 220e Pw (eerbiedigende werking), overgang progressieve → vlakke premie, URM en DNB-scenariosets (pessimistisch/neutraal/optimistisch, 5e percentiel vs. mediaan), waardering van garanties en externe actuariele validatie. Belangrijk: art. 150e Pw schrijft inzichtelijkmaking van transitie-effecten voor, maar geen harde norm voor de hoogte van compensatie — die moet tussen werkgever en werknemers worden afgesproken. | Rechtvaardigt geen algemene compensatiestandaard: noch P5 noch P50 wordt aangewezen als de juridisch juiste maatstaf; de scenariokeuze is onderdeel van de materiële compensatievraag. Direct relevant voor de P5/P50-discussie bij verzekeraars/PPI's. |
| 2025 | Rechtbank Noord-Holland (kantonrechter) | ECLI:NL:RBNHO:2025:10428 (Fluor) | Fluor wijzigde vóór de Wtp naar een beschikbare premieregeling; werknemers vorderden aanvullende compensatie. Kantoorrechter: oude eindloonregeling was op termijn niet voortzetbaar, de nieuwe regeling was al Wtp-proof, OR stemde in, en voor de compensatie waren DNB-scenariosets/URM met de mediaan gebruikt. Onvoldoende grond om de overeengekomen compensatie onredelijk te achten. | Werkgever en OR hebben aanzienlijke vrijheid bij het vaststellen van compensatie en de actuariel-economische uitgangspunten — maar de uitspraak stelt geen algemene norm dat de mediaan de juiste maatstaf is. |
| 10 nov 2025 | Rechtbank Den Haag | ECLI:NL:RBDHA:2025:21844 (inzage landsadvocaat-advies, tweede procedure) | Vier verzoekers zoeken inzage in een vertrouwelijk landsadvocaatadvies (2011) over de juridische aspecten van invaren, ter ondersteuning van hun stelling dat invaren strijdig is met het eigendomsrecht. Afgewezen wegens het professionele verschoningsrecht. | Let op bij citeren: dit oordeelt niet inhoudelijk over de rechtmatigheid van invaren — de rechter komt daar niet toe. |
| dec 2025, geannoteerd in PJ 2026/6 | Rechtbank Den Haag (meervoudige kamer) | ECLI:NL:RBDHA:2025:21768 (SPN Notariaat / BMN) | Gewezen deelnemers (gnb's) vechten het Wtp-transitieplan van Pensioenfonds Notariaat aan. Rechtbank: geen misbruik van bevoegdheid, geen onrechtmatige daad, geen schending zorgplicht of discriminatieverbod; de afspraak over een compensatiereserve voor actieve 40+-deelnemers is niet onrechtmatig. Uitvoering van transitie- en implementatieplan mag doorgaan. | Eerste civiele toetsing van een Wtp-transitieplan: de rechter houdt sociale partners en het fonds een ruime beoordelingsmarge bij de evenwichtigheid van transitiekeuzes. |
| 8 jan 2026 | Rechtbank Noord-Holland | ECLI:NL:RBNHO:2026:132 (gepensioneerde vs. ABP) | Gepensioneerde vordert via de AVG/UAVG de berekeningen achter zijn huidige pensioen én een berekening van zijn toekomstige Wtp-pensioen. Rechtbank: een pensioenberekening als rekenproces/methodiek is geen persoonsgegeven — de AVG is niet het juiste instrument om dit af te dwingen. Tegelijk wijst de rechtbank op de informatieplichten uit de Pensioenwet over pensioen en invaren. | Begrenst de AVG-route voor transparantie over Wtp-berekeningen, maar zegt niet dat ABP geen Wtp-informatie hoeft te geven — de Pensioenwet-verplichtingen blijven gewoon gelden. |
| 10 feb 2026 | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | ECLI:NL:GHARL:2026:771 (Oskam — art. 19 Pw) | Hof toetst eenzijdige beëindiging van een indexatieregeling voor reeds gepensioneerden aan art. 19 Pensioenwet. Sinds de Wtp geldt het wijzigingscriterium uitdrukkelijk ook voor pensioengerechtigden — het hof ziet dit als codificatie van bestaand recht, niet als nieuwe bescherming pas sinds 1-7-2023. Werkgever had onvoldoende een zwaarwichtig belang aangetoond. | Versterkt de rechtspositie van gepensioneerden in de Pre-Wtp → Wtp-overgang: de pensioenovereenkomst blijft na pensionering juridisch relevant en eenzijdige wijziging vergt een zwaarwichtig belang. |
| 4 mrt 2026 | College voor de Rechten van de Mens | Oordeel 2026-34 (ABN AMRO N.V. & Stichting Pensioenfonds ABN AMRO) | Een spreidingstermijn van tien jaar bij het invaren van het nieuwe pensioenstelsel maakt geen verboden onderscheid op grond van leeftijd. Het indirect onderscheid is objectief gerechtvaardigd; de verzoeker (gepensioneerde) krijgt geen gelijk. | Belangrijk voorwerk voor fondsen en werkgevers: spreidingsafspraken bij invaren (verdeling van overschotten over leeftijdscohorten) zijn toetsbaar aan gelijkebehandelingswetgeving — hier toegestaan. Oordeel van het College is niet bindend voor de burgerlijke rechter. |
| 30 mrt + 17 aug 2026 | Geschilleninstantie Pensioenfondsen (GIP) | GIP Geschil 777 (MITT — tussenuitspraak en einduitspraak) | Geen rechterlijke uitspraak, maar relevante pensioengeschillenrechtspraak. Deelnemer stelt vragen over het transitieplan, mogelijke verlagingen, de solidariteitsreserve, individuele waardeoverdracht en zijn handelingsperspectief. GIP: een geschil over de inhoud van het transitieplan valt buiten haar bevoegdheid; de einduitspraak wijst de verplichting om specifieke technische vervolgvragen te beantwoorden af wegens gebrek aan rechtsgrond. | Toont de spanning tussen de wettelijke informatie-/keuzebegeleidingsverplichtingen en de grens tussen verplichte informatie en individuele technische analyses — relevant voor keuzebegeleidingsdossiers. |
| 2 sep 2026 | Rechtbank Midden-Nederland | ECLI:NL:RBMNE:2026:6302 (Wtp-implementatiekosten) | Civiele zaak over een factuur van €48.000 voor aanvullende werkzaamheden van een dienstverlener wegens de Wtp en gewijzigde DNB-eisen. Geen deelnemersrechtspositie, maar de Wtp werkt inmiddels door in uitvoeringscontracten, systeemaanpassingen, DNB-taxonomie en kostenverdeling tussen fonds en uitvoerder. | Beperkte betekenis voor de transitie zelf, maar signaal dat de Wtp ook in gewone civiele contractsgeschillen belandt. |
Dit overzicht is een momentopname (peildatum 24 september 2026) en kijkt breder dan strikte transitie-uitspraken: opgenomen zijn ook uitspraken waarin de Wtp een rol speelt bij compensatie, verjaring, informatieverstrekking en de rechtspositie van gepensioneerden, plus de GIP-beslissingen (niet-rechterlijk, expliciet als zodanig gelabeld). De Wtp-rechtspraak is nog jong: tot heden vooral eerste instanties; de grote fase — claims over invaarberekeningen en conversiefouten — wordt in 2027–2028 verwacht. Nieuwe uitspraken worden via de maandelijkse bronnencheck gesignaleerd (rechtspraak.nl zoektermen: "Wtp", "transitieplan", "invaren", "gelijke premie", "compensatie"). Let op: uitspraken van het College voor de Rechten van de Mens zijn niet bindend voor de burgerlijke rechter.
Eerst de landelijke transitie-stand uit DNB en de 5e Wtp-voortgangsrapportage; daaronder het Pensioennetwerk Transitieregister (fonds/kring per datum). Register = snapshot; toets altijd de fondswebsite.
Zelfde soort overzicht als in de publieke monitor: fondsen naar deelnemers, verzekeraars/PPI’s naar contracten. Peildata verschillen — niet optellen tot één percentage.
Totaal omgezette contracten bij verzekeraars en PPI's: 32% per 1-1-2026 → 38% per 1-4-2026 → 42% per 1-7-2026. Let op: er vinden ook omzettingen plaats van verzekeraar naar PPI en vice versa, dus de afzonderlijke percentages zijn niet optelbaar. Kwartaalmonitor door de rijksoverheid; volgende meting per 1 oktober 2026.
Fondsen zijn qua deelnemers ver gevorderd (grote fondsen al over of op 1-1-2027). Bij verzekerde regelingen en PPI’s ligt nog een grote contractopgave — al stijgt het totaal met 10 procentpunt per halfjaar 2026; tussen 1 juli 2026 en 1 januari 2028 moeten nog ruim 38.000 contracten om. Pieken worden verwacht op 1 januari 2027 én 1 januari 2028. Niet tijdig omzetten kan fiscale gevolgen hebben voor werkgever en werknemer.
Bronnen: Voortgangsrapportage monitoring Wtp — zomer 2026 (Kamerstuk 32043 nr. 714, brief 2 juli 2026; advies regeringscommissaris 18 juni 2026) · Werken aan ons Pensioen — Stand van zaken transitie verzekerde regelingen (8 oktober 2026) (cijfers verzekeraars/PPI's per 1-7-2026; kwartaalmonitor na commissiedebat 10 september 2026) · DNB transitie & dekkingsgraad Q2 2026 (vermogen: €589 mrd Wtp / €1.131 mrd FTK; 34 fondsen op 30 juni).
Cijferwijzer fondsen: 42 ingevaren / 55% deelnemers = Kamerbrief 1 juli 2026. 34 fondsen / €589 mrd Wtp = DNB-statistiek 30 juni 2026 (andere populatie/definitie). Registerrecords tellen fondsen + APF-kringen + labels — niet gelijk aan “aantal fondsen ingevaren”.
Dit is geen deelnemers- of contractgewogen stand. Het telt records (fondsen, APF-kringen, enkele uitvoerderlabels).
| Fonds | Categorie | Effectieve stand | Jaar | Invaren | Administrateur | Eenduidigheid | Bron |
|---|
Bron: Pensioennetwerk — Transitieregister (SIVI/DNB-stand, primaire fondsbronnen; sinds 25-8-2026 geen waarden uit vakpersoverzichten). Register-versie 19 oktober 2026 telt 200 records (170 met eigen bron, 133 primair bevestigd); de fondslijst hieronder is een selectie daaruit.
Drie doorsnedes over dezelfde registerrecords: welk contracttype (solidaire premieregeling SPR vs. flexibele premieregeling FPR) wordt gekozen, wanneer de invaar- en invoeringspieken vallen, en welke administrateurs/uitvoerders de markt domineren.
2027-Q1 en 2028-Q1 zijn de piekmomenten — de meeste fondsen varen op 1 januari.
Bronnen: Voortgangsrapportage monitoring Wtp — zomer 2026 (Kamerstuk 32043 nr. 714, brief 2 juli 2026) · Pensioennetwerk — Transitieregister (SIVI/DNB-stand, register-versie 19 oktober 2026). Kwartaal- en uitvoerderdiagrammen zijn berekend uit de registerrecords in dit dashboard; afwijkende fondsdata staan in de fondstabel hierboven (per record met eigen bronvermelding).
Aanvullende doorsnedes uit dezelfde 200 registerrecords (versie 19-10-2026), uit de eigen bronlaag van het register: zelf geopende transitieplannen, jaarstukken 2025 en fondsdocumenten. Compensatie is een testversie — een leeg veld betekent "nog niet onderzocht", nooit "geen".
| Fonds / kring | Vorm | Financiering | Kernvoorwaarden & kanttekeningen |
|---|---|---|---|
| ABP | 3 scenario's: eenmalig · periodiek · hybride | fondsvermogen / premie | Volledig ineens alleen bij dekkingsgraad ≥107%; anders premietegel (max 10 jr) of gemengd. Peildatum 31-12-2026; vertrek daarvóór kan recht kosten |
| PFZW | eenmalig (gerealiseerd) | fondsvermogen | Geboren 1959–1995 met opbouw op 31-12-2025; vertrek in 2025 kan recht kosten, vrijwillige voortzetting binnen 9 maanden aanvragen |
| PMT | eenmalig (gerealiseerd) / geen | fondsvermogen | Actieven + AO peildatumdeelnemers geboren ≤1989; aparte regeling voor herintreders (art. 86) en vrijstellingsgevallen |
| bpfBOUW | eenmalig (gerealiseerd) | fondsvermogen | Leeftijd 28–67 met opbouw op 31-12-2025; aparte regeling bijzondere gevallen (werk Q4-2025 + 1e helft 2026) |
| PME | eenmalig | fondsvermogen (geen depot) | Opbouw op 31-12-2026 én 1-1-2027; volledige compensatie vanaf 106% dekkingsgraad |
| PNO Media | per regeling: eenmalig / onbekend / geen | fondsvermogen / werkgever | SPR: deelname op beide peildata, vertrek op 31-12-2026 sluit uit; FPR-werkgeverskeuze nog open (max 10 jr premie) |
| Rabobank | eenmalig + periodiek | fondsvermogen / werkgever via salaris | Bufferverdeling 40-plussers (in dienst sinds 31-12-2022); PR2023-compensatie via salaris, stopt bij uitdiensttreding |
| Philips | eenmalig; terugval premiebudget | fondsbuffer / werkgever | Opbouwers 30–68 jaar; ineens bij buffers ≥ ±106%, anders 10-jaars premiebudget (details nog af te spreken) |
| AkzoNobel | eenmalig + periodiek (excedent) | fondsvermogen / werkgever | CDC-deel ineens; excedentcompensatie 15 jaar in salaris + persoonsafhankelijk vervolgdeel |
| PGB | periodiek | premieopslag per sector | 10 jaar (meeste sectoren, uitzonderingen); niet fondsbreed uniform |
| KLM (grondpersoneel) | eenmalig (gerealiseerd) | fondsvermogen | Gerechtigden vanaf 36 jaar (KHS: 39); vóór overgang kan recht vervallen, na overgang behouden |
| Detailhandel | periodiek | — | Maandelijks gedurende het transitiejaar, onder de compensatieregelingvoorwaarden |
| PMA (Apothekers) | 3 scenario's: eenmalig · periodiek · hybride | fondsvermogen / premie | Ineens bij voldoende dekkingsgraad; anders premiedeel max 10 jaar of combinatie |
| KPN | onbekend | — | Recht gekoppeld aan actieve opbouw op 30-9 en 1-10-2026 |
| Cosun | eenmalig (gerealiseerd) | fondsvermogen | Verwerkt per 1-1-2026; later uitdiensttreden zonder gevolgen |
| Zuivel / Huisartsen / Recreatatie (seizoenswerkers) / Capgemini | geen | — | Expliciete bronuitspraak: geen (afzonderlijke) compensatie nodig of vereist (bv. eerbiedigende werking, doorsnee al afgeschaft in 2022) |
Bron: compensation_arrangements.csv uit het Pensioennetwerk-register (96 fondsen/kringen, incl. meerdere scopes per fonds; compensatiebestand nog op versie 28-9-2026 — het hoofdregister in dit dashboard is bijgewerkt tot 19-10-2026). Volledige dataset met voorwaarden, terugvalscenario's en status (EXACT/PARTIAL/VERIFICATIE NODIG) per fonds beschikbaar in het register.
Bedragen worden nooit opgeteld zonder expliciete aansluiting; ontbrekende waarde = niet gevonden, nooit nul euro.
Eén gedeelde DNB-definitie; hoogte zegt niets over goed of slecht — geen ranglijst. Dekking: 116 records volledig uit eigen jaarstukken 2025, 9 gedeeltelijk, 10 oudere jaargang, 48 alleen DNB-cijfers, 14 nog geen kostenwaarneming.
De beoordeling geldt altijd voor de combinatie van beide betrokken regelingen op één peildatum: een geplande invaardatum is geen bewijs dat er daadwerkelijk is ingevaren, dus zonder bekend tegenfonds is de uitslag altijd afhankelijk van tegenfonds — nooit een algemeen ja of nee.
Daarnaast: controleer bij beide uitvoerders op een administratieve of technische verwerkingsbeperking ("gemelde uitvoeringsbeperking") — die geldt apart en is niet zonder meer een wettelijke blokkade. Een aanvraag kan tijdens een opschorting wel worden ingediend en geregistreerd. Automatische overdracht van kleine pensioenen valt buiten deze Wtp-opschorting. Zie de uitvoeringslijn van de Pensioenfederatie.
| Fonds / kring | Aanvraag | Verwerking | Reden (eigen bron) |
|---|---|---|---|
| Pensioenfonds PGB | toegestaan | aangehouden | Uitgesteld tot beide fondsen dezelfde pensioenregels toepassen |
| Grolsch (gesloten) | toegestaan | aangehouden | Opschorting mogelijk, afhankelijk van situatie en invaarmoment van beide uitvoerders |
| Rabobank | toegestaan | aangehouden | Aanvragen rond de transitie worden binnen drie maanden ná de overgang verwerkt, zo nodig met nieuwe offerte |
| SNS REAAL | toegestaan | aangehouden | Afhankelijk van de overgangsstatus van beide uitvoerders |
| TNO | toegestaan | beperkt | Verwerking kan rondom de overstap tijdelijk afwijken |
Alle vijf registreerden een individuele restrictie (beide richtingen). Peildatum 25-8-2026, hercontrole 26-9-2026; aanvragen kunnen tijdens een opschorting wél worden ingediend en geregistreerd.
Het register onderscheidt sinds kort 5 records als regeling bij buitenlandse pensioeninstelling: Nederlandse werkgeversregelingen in een afgescheiden subfonds van het Belgische OFP United Pensions (onder IORP-regels), geïdentificeerd via de openbare SIVI-matchlijst en het FSMA-register. De Wtp-stand van deze regelingen is uit openbare bronnen nog grotendeels onbekend (status: eigen inventarisatie). Daarnaast bevat het register 4 uitvoerderrecords (verzekeraars) uit de waardeoverdrachtlijst — geen pensioenfondsen.
Sinds 25-8-2026 geen waarden uit vakpersoverzichten meer; elke waarde draagt een bron-URL en status. 50 records zijn nog vakpers-afhankelijk (doel: dalend), 3 niet eenduidig. Leesregel: een datum is de laatst gepubliceerde beoogde datum, tenzij de bron "ingevaren" of "gerealiseerd" meldt.
Periodiek overzicht van de actieve algemeen pensioenfondsen (APF) op de Nederlandse markt — relevant voor werkgevers en fondsen die consolidatie of onderbrenging overwegen. Peildatum van deze editie: 31 december 2025 (DNB-rapportage).
APF-kringen komen terug in het transitieregister (o.a. Unilever APF / Progress vs. Forward). De tracker is de periodieke sectorfoto van APF-omvang en financiële positie naast DNB-dekking van bedrijfstak- en ondernemingsfondsen. Bij Wtp-keuzes (invaren, consolidatie) is de kringstructuur van een APF een apart risicodomein: buffers en DG zijn niet vanzelf fondsbreed.
Bron: Milliman APF Tracker Q4 2025 (Dick Kamp, 1 april 2026) · PDF-tracker Q4 2025 · Overzicht eerdere edities. Cijfers per kring staan in de PDF; dit blok is een samenvatting van de publicatie, geen vervanging van de tracker.
Onafhankelijke evaluatie door Andrew Ang, Jesper Berg & Magnus Dahlquist van de investeringsstrategie van ATP (Deens collectief pensioen, pijler-1-achtig, gegarandeerde levenslange uitkering). Relevant als spiegel voor NL: hedge vs. risico-portefeuilles, leverage, factorbeleggen, home bias en communicatie over rendement.
Indicatie op basis van de review (niet identiek aan NL-fondsrendementen). Lange termijn risk-seeking sterk vs 60/40; recente jaren (2022–2025) zwak.
Bron: Review of ATP’s Investment Strategy (Ang, Berg & Dahlquist, 31 augustus 2026) · Conclusions and recommendations · ATP Group Annual Report 2025 (context investeringsportefeuille). Cijfers en formuleringen zijn samenvattingen van de review; raadpleeg het rapport voor volledige nuances en disclaimers.
De Mercer-index kijkt naar het stelsel als geheel. Maar hoe vertaalt die #1-positie zich naar de concrete ervaring van deelnemers, fondsen en het Wtp-debat? Deze sectie slaat een brug tussen het internationale oordeel en de nationale uitvoering, op basis van de Kamerbrief Monitoring Wtp winter 2026 (ministerie SZW) en de kwartaalupdates van DNB.
Per 1 januari 2026 zijn 30 pensioenfondsen ingevaren; op 1 april 2026 volgden twee kringen. De voortgangsrapportage zomer 2026 (Kamerbrief 2026Z15543) actualiseert het rooster: de komende jaren volgen nog 107 fondsen, verdeeld over een strak schema tot 1 januari 2028.
De minister van SZW rapporteert aan de Tweede Kamer dat de transitie volgens plan verloopt, met een versnelling in het najaar van 2026. Van de 107 resterende fondsen:
Ruim de helft van alle actieve deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden is inmiddels over. De gemiddelde pensioenstijging bij invaar bedraagt +14% (structureel). Bron: Kamerbrief Voortgangsrapportage monitoring Wtp zomer 2026 (2026Z15543, 8 juli 2026).
De pensioenafspraken in CAO's worden via de Mozard-database van het ministerie van SZW geregistreerd. De actuele loonontwikkeling — relevant voor pensioenpremies, indexatie en de uiteindelijke vervangingsratio — volgt de AWVN CAO-kijker (3,24% contractloonstijging op twaalfmaandsbasis, 2026).
In het nieuwe stelsel worden buffers gerichter ingezet en is een lagere buffer nodig. Een groter deel van iedere euro gaat naar de pensioenuitkering. De verwachting van pensioenfondsen is dat de jaarlijkse kans op verhogingen veel groter is dan de kans op een verlaging. De stijging van de pensioenbeheerkosten (+17,7% in 2024) wordt deels verklaard door Wtp-advieskosten en algemene prijsstijgingen; de kostenratio blijft met 0,48% van het belegd vermogen internationaal beheerst. Bron: Kamerbrief Monitoring Wtp winter 2026, ministerie SZW; Bell 2025.
Naast de structurele kwaliteit van het stelsel (Mercer) en de omvang van het vermogen (OECD) is de operationele efficiëntie van fondsen relevant voor deelnemers. De cijfers hieronder komen uit het Bell-rapport Werk in uitvoering bij pensioenfondsen 2025 (174 fondsen, 2024).
De kostenstijging van 2024 (+10% totaal) valt uiteen in twee heel verschillende bewegingen. De vermogensbeheerkosten stegen met ruim €0,6 miljard naar €7,8 miljard (+9%), waarvan een groot deel verklaard wordt door €0,5 miljard extra prestatievergoedingen (performance fees) — als percentage van het belegd vermogen nagenoeg onveranderd op 0,48%. De pensioenbeheerkosten stegen veel harder: met €220 miljoen naar €1,46 miljard (+18%), deels door Wtp-voorbereidingskosten (geschat €200 miljoen ≈ €19 per deelnemer), deels door prijsstijgingen en bestuurs-/governancekosten. Het gemiddelde beleggingsrendement over 2024 bedroeg 8,1% (range 0–18%), ruimschoots boven de kosten.
Forwards: de piek van de Wtp-kosten ligt nog voor ons. Bell-partner Jeroen Koopmans verwacht dat de totale Wtp-kosten uiteindelijk boven de €1 miljard uitkomen die het ministerie van SZW becijferde. Senior actuaris Johan van Soest wijst op een praktisch valkuil: jaarverslagen beschrijven deze kosten vaak als eenmalig, terwijl ze meerdere opeenvolgende jaren worden gemaakt — pas ná de invaarfase van een fonds zullen ze afnemen. Gezien de invaarpieken in 2027-Q1 en 2028-Q1 (zie het transitieregister) betekent dat: de sectorbrede kostenpiek ligt nog in het verschiet.
Bron: Bell Pension Consultants & Actuaries — Kosten nieuw pensioenstelsel in 2024 gestegen naar €200 miljoen (9 oktober 2025) · Bell, Werk in uitvoering bij pensioenfondsen 2025 (14e editie; 174 fondsen incl. 43 APF-kringen; gemiddeld belegd vermogen €1.626 mrd, 6,7 mln actieven, 4,0 mln gerechtigden, 8,6 mln slapers).
Naast de feitelijke voortgang en de kosten geeft een enquête onder 46 pensioenfondsbestuurders (KPMG, december 2025) inzicht in het bestuurlijk sentiment en de operationele uitdagingen achter de cijfers.
Onder de Wtp verschuift de rol van fondsbestuurders fundamenteel: van jaarlijkse besluitvormer over premie en indexatie naar een controlerende en toetsende rol rond premieregelingen, risicohouding, communicatie en keuzebegeleiding. Deze verschuiving vraagt nieuwe kennis van systematiek, risicoprofielen en governance rond open normeringen. Tegelijkertijd nemen de kosten voor IT-ontwikkeling, communicatie en zorgplicht structureel toe in plaats van tijdelijk. Bron: KPMG Pensioenonderzoek 2025.
De EY WTP Transitiemonitor Zomerrapportage 2026 (24 juni 2026, 43 pagina's) monitort de voortgang van de Wtp-transitie op basis van interviews, enquêtes en documentanalyse bij pensioenfondsen, verzekeraars, PPI's, werkgevers en adviseurs.
De EY adviseert om de keuzearchitectuur te vereenvoudigen: minder opties, duidelijkere standaarden, en meer nadruk op het automatische profiel. "De Wtp biedt te veel keuzes voor te weinig kennis. De standaard lifecycle moet zo goed zijn dat actief kiezen een optie is, geen noodzaak." Bron: EY WTP Transitiemonitor Zomerrapportage 2026 (24 juni 2026).
De Netspar Monitor Deelnemerservaringen zomer 2026 (5 juni 2026, 29 pagina's) brengt het perspectief van de deelnemer in kaart: hoe ervaren zij de transitie, begrijpen zij hun keuzes, en vertrouwen zij op het nieuwe stelsel?
De Netspar-monitor toont een fundamenteel probleem: de Wtp is technisch goed ontworpen, maar de deelnemer staat er niet in. "Het stelsel vraagt meer van de deelnemer dan de deelnemer kan geven." De aanbeveling: verplichte keuzebegeleiding voor alle deelnemers boven de 45, en een vereenvoudigde standaardoptie voor jongeren. Bron: Netspar Monitor Deelnemerservaringen zomer 2026 (5 juni 2026).
Pensioenfondsen domineren het nieuws, maar verzekeraars en premiepensioeninstellingen (PPI's) zijn de drijvende kracht achter premieovereenkomsten (DC). De AFM Sector in beeld pensioenen 2026 (peildatum 31 december 2024) toont fundamentele verschuivingen ten opzichte van 2023. Eind 2024 waren er ~75.000 deelnemers in het nieuwe Wtp-stelsel bij verzekeraars en PPI's — een verdubbeling ten opzichte van 2023.
De AFM constateert dat premiepercentages in DC-regelingen sterk uiteenlopen. Sommige werkgevers betalen 5% of minder, terwijl anderen meer dan 20% van het loon inleggen. Dit heeft grote gevolgen voor de uiteindelijke pensioenuitkering. De AFM roept werkgevers op om de premie transparant te communiceren en deelnemers bewust te laten kiezen.
Ook het partnerpensioen toont een gemengd beeld: de dekking verbetert, maar verschilt sterk per aanbieder. Bij sommige verzekeraars is het partnerpensioen nog steeds op rentebasis (recht vervalt bij baanwisseling), terwijl andere aanbieders wel risicobasis hanteren.
Ondanks dat de Wtp meer keuzevrijheid biedt, maakt slechts een beperkt deel van de deelnemers actief gebruik van beleggingsvrijheid. Vooral jongere deelnemers (tot 40 jaar) kiezen vaker voor een afwijkende strategie, maar het merendeel blijft bij de standaard lifecycle. De AFM signaleert dat dit risico's met zich meebrengt: wie niet kiest, krijgt het standaardprofiel — wat niet altijd past bij het individuele risicodraagvlak.
De voortgangsrapportage zomer 2026 (Kamerbrief 2026Z15543) constateert dat de transitie bij verzekeraars en premiepensioeninstellingen (PPI's) "op stoom komt, maar nog niet op volle toeren draait". Eind 2024 waren er ~75.000 deelnemers in het nieuwe stelsel bij verzekeraars/PPI's — een verdubbeling, maar nog steeds een fractie van het totaal.
Drie aandachtspunten uit de AFM 2026:
De minister signaleert dat extra aandacht nodig is voor de communicatie-uitdaging bij deze sector, waar individuele keuzevrijheid en complexere producten de informatiebehoefte vergroten. Bron: AFM Sector in beeld Pensioenen 2026 (mei 2026, peildatum 31 december 2024); Kamerbrief Voortgangsrapportage monitoring Wtp zomer 2026 (2026Z15543).
Bron: AFM Sector in beeld Pensioenen 2026 (peildatum 31 december 2024). Premie-DC vermogen = opgebouwde waarde in premieovereenkomsten in de opbouwfase. De transitie naar het nieuwe stelsel zal deze verhoudingen de komende jaren ingrijpend wijzigen.
De Wtp-transitie raakt generaties fundamenteel verschillend. Babyboomers (uitkeringsfase) behouden veelal hun opgebouwde rechten, maar jongere generaties nemen meer risico over. Deze analyse toont de intergenerationele verdeling van kosten, risico's en verwachte opbrengsten.
De Wtp wordt vaak gepresenteerd als een verbetering van de houdbaarheid (Mercer-dimensie). Maar de prijs wordt betaald door jongere generaties: zij krijgen minder garantie, meer beleggingsrisico en een complexere keuze-omgeving. Tegelijkertijd profiteren zij van de solidariteitsreserve als die goed wordt ingezet. De vraag is of de politieke wil bestaat om die reserve intergenerationeel eerlijk te verdelen. Bron: Netspar, DNB, Kamerbrief Monitoring Wtp 2026.
Nederland staat op plaats 1 in de Mercer-index, maar het publieksvertrouwen is slechts net boven neutraal. Deze sectie toont de discrepantie tussen objectieve stelselkwaliteit en subjectieve beleving. Vanaf Q1 2026 is de Publieksmonitor gewijzigd: nieuw panel (Motivaction, n=900), nieuwe vragenlijst — de resultaten zijn niet vergelijkbaar met eerdere metingen (Q4'24–Q3'2025, MarketResponse).
De Publieksmonitor pensioenen is vanaf de 16e meting (Q1 2026, gepubliceerd 10 april 2026) overgegaan van MarketResponse naar Motivaction (n=900, online panel). De 17e meting (Q2 2026, veldwerk 11–27 mei 2026, gepubliceerd 6 juli 2026) volgt dezelfde methodiek. De wijziging betreft:
De oude data (Q4'24–Q3'2025) blijft hieronder zichtbaar als historische context. De nieuwe data (Q1–Q2 2026) staat in een aparte tabel. Vergelijk de twee series niet direct.
Schaal 1-10. Score 4-7 = neutraal. Bron: Publieksmonitor pensioenen Q3 2025 (Market Response, n=904, gewogen). Niet vergelijkbaar met Q1/Q2 2026.
Mercer zegt: Nederland heeft het beste pensioenstelsel ter wereld (85,8/100, Grade A).
Het publiek zegt (Q3'25): vertrouwen is 5,9/10 — net boven neutraal. Slechts 26% heeft "(veel) vertrouwen", terwijl 64% neutraal is en 10% structureel wantrouwt.
De verklaring ligt in de communicatie- en kennisgolf: 85% weet dat pensioen uit 3 delen bestaat, maar 44% denkt ten onrechte dat "de pensioenpot op raakt". De Wtp-transitie creëert onzekerheid die de objectieve stelselkwaliteit overstijgt.
| Groep | Vertrouwen (Q3'25) | Kennis 3-delig stelsel | Foutieve perceptie "pot raakt op" | Duiding |
|---|---|---|---|---|
| Gepensioneerden | 6,4 | 92% | 35% | Hoogste vertrouwen, beschermd in uitkeringsfase |
| Niet-gepensioneerd 55+ | 5,7 | 88% | 53% | Transitieangst, pensioenmoment nabij |
| Niet-gepensioneerd 18-55 | 5,8 | 82% | 35% | Dragen Wtp-risico, laagste vertrouwen |
| Financieel hoog geletterd | 6,5 | 87% | 50% | Meer kennis = meer vertrouwen |
| Financieel laag geletterd | 5,3 | 86% | 33% | Kwetsbaar, ondanks basiskennis onzeker |
| Totaal Nederland | 5,9 | 85% | 44% | Stabiel sinds Q4'24, piek Q2'25 (6,2) |
De Mercer-index meet stelselkwaliteit — een technische, top-down beoordeling. De Publieksmonitor meet draagvlak — een sociale, bottom-up beleving. De methodologische wijziging in Q1 2026 maakt trendanalyse over de breuk heen onmogelijk. De Q1–Q2 2026-cijfers vormen een nieuw startpunt.
Wat opvalt: ondanks de #1-positie van Mercer blijft het vertrouwen stabiel rond 5,8–5,9. De Wtp-transitie is technisch solide, maar de communicatie-uitdaging blijft groot — vooral onder jongere generaties en laaggeletterden. Bron: Publieksmonitor pensioenen Q3 2025 (Market Response, n=904); Q1 2026 en Q2 2026 (Motivaction, n=900). Ministerie van SZW.
De Wet toekomst pensioenen vereist dat fondsen elke vijf jaar de risicohouding van deelnemers vaststellen. Deze Netspar Board Brief (Goossens & Knoef, 2023) legt uit waarom: risicohouding is de combinatie van risicobereidheid (hoeveel risico wil men nemen?) en risicodraagvlak (hoeveel risico kan men dragen?). Samen bepalen zij het beleggingsbeleid en de toedeling van risico over de levenscyclus.
"Hoeveel risico wil men nemen?"
De bereidheid daalt systematisch met de leeftijd (Schildberg-Hörisch, 2018). Jongeren zijn risicoprofieler; ouderen worden risicomijdender. Crises kunnen dit tijdelijk verstoren — de financiële crisis van 2008 maakte mensen structureel voorzichtiger.
"Hoeveel risico kan men dragen?"
Bepaald door menselijk kapitaal (toekomstig arbeidsinkomen), financieel kapitaal (spaargeld, woning), AOW en sectorale conjunctuurgevoeligheid. Hoe meer buffers, hoe meer risico men kan dragen.
Bron: Schildberg-Hörisch (2018), geïnterpreteerd in Netspar Board Brief 04/2023. De blauwe lijn toont de trend; oranje fluctuaties zijn tijdelijke schommelingen (crises, emoties).
Bron: Netspar Werkgroep Risicocapaciteitsmeting (Alessie, Knoef, Paz Pardo, Van Ooijen, 2023). Linker paneel: mannen; rechter paneel: vrouwen. p10=10e percentiel, p90=90e percentiel.
Hoe cyclischer een sector, hoe minder beleggingsrisico een fonds voor die deelnemersgroep moet nemen. Onderzoek van Braggion et al. (2022) op basis van CBS-data.
| Methode | Principe | Gebruikt door | Voordeel | Nadeel |
|---|---|---|---|---|
| Choice-sequence | Keuzes tussen loterijen met pensioenuitkomsten | Aegon (Profielwijzer) | Direct gekoppeld aan pensioencontext | Cognitief uitdagend voor sommige deelnemers |
| Distribution builder | Deelnemer bouwt zelf gewenste verdeling van uitkomsten | Achmea/IG&H (Pension Builder) | Intuïtief, visueel | Minder precies dan loterijmethoden |
| Convex Time Budget | Geld verdelen over tijd; leidt risico- én tijdsvoorkeur af | Wetenschappelijk onderzoek | Meet twee voorkeuren tegelijk | Hoog cognitief; niet geschikt voor alle doelgroepen |
De lifecycle-afbouw in het Wtp-stelsel is niet willekeurig: hij is de optimaal theoretische afweging tussen risicobereidheid (daalt met leeftijd) en risicodraagvlak (daalt als menselijk kapitaal afneemt). Een bouwfonds met hoge conjunctuurgevoeligheid zou een vlakkere lifecycle moeten kiezen dan een zorgfonds. De keuze van een deelnemer voor een bepaald risicoprofiel is dus niet alleen psychologisch, maar ook economisch-rationeel — mits goed gemeten en gecommuniceerd.
De Wet toekomst pensioenen vereiste dat fondsen op een bepaald moment ‘invaren’ — overgingen naar het nieuwe stelsel. De uitkomsten verschillen per fonds, afhankelijk van dekkingsgraad, deelnemerspopulatie en beleggingsbeleid.
| Fonds | Sector | Invaardatum | Dekkingsgraad (eind 2025) | Compensatie / indexatie | Duiding |
|---|
Bron: DNB, Pensioenfederatie, jaarverslagen en persberichten 2025-2026. Invaardata en compensatieschema’s zijn gebaseerd op publieke communicatie; exacte uitkomsten worden definitief vastgesteld per deelnemer.
DNB heeft de eerste 30 ingevaren fondsen beoordeeld en thematische bevindingen geïdentificeerd. Het merendeel van de fondsen heeft een toezichtbrief ontvangen met punten die na invaren opgelost moeten worden. De onderstaande percentages geven aan bij hoeveel procent van de fondsen de bevinding voorkwam.
DNB constateert dat in veel invaardossiers de transitiekeuzes en transitie-effecten nog onvoldoende onderbouwd zijn. Expliciete, richtinggevende transitiedoelstellingen helpen fondsen om keuzes over de standaardmethode, compensatie voor afschaffing doorsneesystematiek en solidariteitsreserve te koppelen aan wat het bestuur als geheel wil bereiken. DNB organiseert ronde tafels met de sector om dit te bespreken. Bron: DNB Transitienieuws Q1 2026.
In de Nederlandse media domineert de marktwaarde-dekkingsgraad het pensioendebat. Maar Mercer kijkt naar structurele houdbaarheid — een veel breder en stabieler concept. Een tijdelijk lage dekkingsgraad na een renteschok zegt niets over de langetermijngesondheid van het stelsel.
Meet het vermogen tegen de verplichtingen op basis van actuele marktrentes. Hoog volatiel: kan in één kwartaal 10–20 procentpunt schommelen. Geeft een momentopname, geen trend. De gemiddelde dekkingsgraad steeg in 2025 van circa 116% naar 129%.
Kijkt naar demografie, regelgeving, governance, beleggingsmix en langetermijnverwachtingen. Deze score beweegt langzaam en reflecteert fundamenten, niet marktsentiment. Nederland scoort hier 83,5 — structureel hoog, ongeacht kwartaalcijfers.
De Wtp vervangt het oude defined-benefit (DB) stelsel door een defined-contribution (DC) structuur met solidariteitsreserves. Hoe valt die verschuiving in het Mercer-kader?
| Dimensie | Oud stelsel (DB) | Nieuw stelsel (Wtp/DC) | Impact op Mercer-score |
|---|---|---|---|
| Toereikendheid | Gegarandeerde uitkering; hoge zekerheid voor deelnemer. Mercer-score: hoog. | Beleggingsresultaat bepaalt uitkering; zekerheid daalt. Individueel risico stijgt. | Negatief — minder garantie, meer marktrisico voor het individu. |
| Houdbaarheid | Werkgever/sectordesk draagt risico; bij tekorten indexatiekortingen of premieverhogingen. | Risico verschuift naar deelnemer; fonds heeft minder verplichtingen. Stelsel robuuster op macro-niveau. | Positief — minder systeemrisico, betere demografische doorrekening. |
| Integriteit | Complexe regels, ondoorzichtige indexatie, politieke inmenging mogelijk bij kortingen. | Meer transparantie, individueel vermogen zichtbaar, minder politieke afhankelijkheid. | Positief — betere governance en communicatie. |
| Solidariteit | Generatie- en inkomensoverdrachten ingebouwd in DB-opbouw. | Solidariteitsreserve apart; expliciete keuzes nodig. Risico: afbouw collectieve solidariteit. | Gemengd — afhankelijk van uitwerking reserve. |
Een counterfactual op basis van Mercer-indicatoren. Hoe zou Nederland scoren als het oude DB-stelsel was gecontinueerd zonder de Wtp-hervorming?
De counterfactuals zijn modelmatige schattingen, geen harde voorspellingen. Ze zijn afgeleid door de Mercer-indicatoren te herwegen onder alternatieve institutioneel-regelgevingsscenario’s. De uitkomst laat zien dat de Wtp een afweging is: toereikendheid inruilen voor houdbaarheid. Dat Nederland desondanks op #1 staat, komt doordat de fundamenten (governance, kapitalisatie, regulering) op alle dimensies sterk blijven.
De meest recente OECD-data (juni 2026) bevestigt dat Nederland in 2025 een unieke positie innam: het enige OECD-land met krimpende pensioenvermogens in lokale valuta (EUR). Vergelijking met het OECD-totaal vereist nuance: het totaal wordt in USD gerapporteerd, terwijl Nederland in EUR meet. Door de forse dollarafwaardering (~15% tegen de euro) is het verschil kleiner dan het ruwe cijfer suggereert.
Mercer beoordeelt Nederland als #1 ter wereld op basis van structurele kenmerken (governance, regulering, kapitalisatie). De OECD-data over 2025 toont inderdaad dat Nederland qua vermogensgroei in lokale valuta onderaan staat (–2,8%), maar dit cijfer is niet rechtstreeks vergelijkbaar met het OECD-totaal van +11,7% in USD.
Door de forse dollarafwaardering (~15% tegen de euro) is het OECD-totaal in euro-equivalent circa –1,2% tot –1,6%. Het verschil met Nederland is daarmee ~1,6 procentpunt — niet 14,5. Bovendien verklaart de Wtp-transitie (hoge rente-afdekkingen, swap-verliezen bij stijgende rentes) een deel van de Nederlandse daling. Dit is een transitiekostenpost, geen structureel falen van het stelsel.
Bron: OECD Pension Markets in Focus – Preliminary 2025 Data (juni 2026); DNB Statistical News oktober 2025; analyse Laning (LinkedIn, augustus 2026).
Bron: OECD Pension Markets in Focus – Preliminary 2025 Data (juni 2026); DNB Statistical News oktober 2025.
Beleggingsrendementen zijn een belangrijke drijfveer achter pensioenvermogensgroei. Deze sectie toont de gemiddelde rendementen per regio, assetklasse en het verschil tussen nominale en reële (inflatiegecorrigeerde) rendementen. Data is gebaseerd op gemiddelde fondsrapportages en OECD-statistieken.
De OECD Pension Markets in Focus – Preliminary 2025 Data (juni 2026) toont een uitzonderlijk sterk beleggingsjaar wereldwijd, met een opvallende — en unieke — Nederlandse uitzondering.
Terwijl pensioenvermogens in de OECD gemiddeld met +11,7% groeiden (in USD), was Nederland het enige OECD-land waar pensioenvermogens in lokale valuta daalden (–2,8%). Maar dit cijfer is niet rechtstreeks vergelijkbaar:
Bron: OECD Pension Markets in Focus – Preliminary 2025 Data (juni 2026); DNB Statistical News oktober 2025; analyse Laning (LinkedIn, augustus 2026).
Een indicatieve vergelijking van beleggingsrendementen op pensioenvermogen in het eurogebied — Nederland apart, eurogebied exclusief NL, en eurogebied inclusief NL. Gebaseerd op OECD-reeksen met aanvullende BGEZ-schattingen (Bob Galesloot, augustus 2026).
Galesloot noemt dit zelf een eerste probeersel met beperkt vertrouwen in de precisie: gewogen gemiddelden van beschikbare datapunten; waar rendement ontbreekt is soms vermogensgroei in euro’s als proxy gebruikt; voor lange tijd ontbreken rendementen voor (delen van) het eurogebied in de OECD-publicaties. Eén fout in de keten kan het beeld kantelen. Gebruik deze reeks alleen als discussie- en contextmateriaal, niet als harde benchmark voor beleid of fondsvergelijking.
Bronnen: OECD Pension Markets in Focus (2024-editie en Preliminary 2025 Data) · BGEZ-schattingen en -berekeningen (19 augustus 2026) · LinkedIn-toelichting: Bob Galesloot — probeersel langjarige euro-vergelijking (lnkd.in/ehn7nwVu). Zie de OECD-rapporten voor de achterliggende methodologie.
Een nominaal rendement van +8% lijkt aantrekkelijk, maar bij een inflatie van 3% is het reële rendement slechts +5%. Voor pensioenfondsen met lange looptijden is het reële rendement doorslaggevend voor de koopkracht van toekomstige pensioenen. De Nordics en EU-core landen scoren structureel beter op reële rendementen door hun gediversifieerde beleggingsmix.
Nederlandse pensioenfondsen behaalden over 2024 een gemiddeld rendement van +8,1% (Bell 2025). Met een inflatie van circa 2,5% komt het reële rendement uit op +5,6%. De kostenratio van 0,48% eet slechts een klein deel van het rendement op. Dit ondersteunt de sterke Mercer-score op het gebied van houdbaarheid.
De Kamerbrief over pensioenfondsenrendementen (8 juni 2026, TK 712) waarschuwt dat fondsrendementen niet 1-op-1 vergeleken kunnen worden met aandelenindices zoals de MSCI World. Fondsen verschillen systematisch in:
Daarom zegt een fondsrendement van +8% niets over de kwaliteit van het beleggingsbeleid zonder te weten tegen welke benchmark het is gemeten, en welke risico's het fonds daarvoor heeft gelopen. Bron: Kamerbrief Pensioenfondsenrendementen (8 juni 2026, TK 712).
Het is een veelvoorkomend misverstand — zelfs in ALM-studies — dat +5,4% (Commissie Parameters 2022, vóór kosten) het verwachte aandelenrendement zou zijn. Dat is niet zo. De +5,4% is een asymptotische langetermijnparameter: een modelwaarde voor oneindig ver in de toekomst.
Op realistische termijnen (5, 10, 25 jaar) zijn de DNB-scenarioverwachtingen elk kwartaal anders en vooralsnog telkens iets hoger dan die +5,4%. De grafiek hierboven toont hoe de gemiddelde aandelenrendementen in DNB-scenariosets (CP2022) per looptijd fluctueren richting de asymptotische waarde. Bron: Bob Galesloot (BGEZ), analyse DNB-scenariosets 2023Q1–2026Q3.
| Assetklasse | Nordics | EU-core | Anglo-Saxon | Oost-Azië | Midden-Oosten | Wereldwijd |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Aandelen (ontwikkeld) | +10,8% | +10,2% | +12,5% | +8,4% | +9,1% | +10,6% |
| Aandelen (emerging) | +7,2% | +6,8% | +8,1% | +9,5% | +7,8% | +7,9% |
| Obligaties (staat) | +1,8% | +2,1% | +2,8% | +1,2% | +3,5% | +2,2% |
| Obligaties (corporate) | +3,2% | +3,0% | +3,8% | +2,5% | +4,1% | +3,3% |
| Vastgoed (indirect) | +6,5% | +5,8% | +5,2% | +4,8% | +6,2% | +5,7% |
| Alternatief (PE/infra) | +9,4% | +8,7% | +10,1% | +7,3% | +8,9% | +8,9% |
| Gemiddeld totaal | +7,9% | +7,2% | +8,5% | +6,8% | +7,6% | +7,8% |
Bron: Geaggregeerde fondsrapportages, OECD Pension Markets in Focus 2025, Bloomberg indices. Rendementen zijn gemiddelden over 2024-2025 en kunnen per individueel fonds afwijken. Historische rendementen bieden geen garantie voor de toekomst.
De Eerlijke Geldwijzer (initiatief van Pax voor Vrede en Oxfam Novib) beoordeelt het investeringsbeleid van tien grote Nederlandse pensioenfondsen op duurzaamheid, mensenrechten, klimaat, wapens en transparantie. Deze sectie toont de methodologie, de criteria en een vergelijkend overzicht van de fondsen.
De Eerlijke Geldwijzer doet beleidsonderzoek: ze analyseren het openbaar beschikbare investerings- en beleggingsbeleid van pensioenfondsen. Ze toetsen of fondsen expliciete criteria hanteren voor duurzaamheid, of ze uitsluitingen kennen voor controversiële sectoren, en of ze transparant zijn over hun beleggingen.
De Eerlijke Geldwijzer kijkt naar beleid, niet naar daadwerkelijke beleggingsportefeuilles. Een fonds kan een goed beleid hebben maar in de praktijk afwijken. De scores zijn daarom een indicatie van intentie en governance, niet van feitelijke duurzaamheidsprestatie. De meest recente volledige meting dateert van 2019; sindsdien zijn fondsen individueel geactualiseerd.
Onderstaande tabel toont de gemiddelde scores op beleid (0–10) per thema. Hoger is beter. De scores zijn gebaseerd op de meest recente publieke metingen van de Eerlijke Geldwijzer en aangevuld met publieke fondsrapportages. Klik op een kolomkop om te sorteren.
| Fonds↕ | Klimaat↕ | Mensenrechten↕ | Wapens↕ | Belasting↕ | Bos↕ | Visserij↕ | Transparantie↕ | Totaal↕ |
|---|
Bron: Eerlijke Geldwijzer (Pax voor Vrede / Oxfam Novib), aangevuld met publieke fondsrapportages 2024–2025. Scores zijn beleidsscores (0–10), niet portefeuillemetingen. Sommige fondsen hebben hun beleid sinds 2019 aangescherpt; de tabel weerspiegelt de meest recente publiek beschikbare informatie.
De Eerlijke Geldwijzer meet beleid, niet de daadwerkelijke beleggingsportefeuille. Een fonds kan een uitstekend klimaatbeleid hebben maar nog steeds investeren in fossiele energie via passieve indexfondsen. Voor de volledige picture moet je beleid, uitsluitingen, engagement én portefeuille samen bekijken.
Onder de Wet toekomst pensioenen krijgen deelnemers meer keuzevrijheid over hun beleggingsmix. Dit betekent dat de duurzaamheidsprestatie van een fonds niet langer alleen een bestuurszaak is — deelnemers kunnen zelf kiezen voor een duurzamere (of minder duurzame) optie. De Eerlijke Geldwijzer-scores helpen om die keuze te informeren.
Transparantie is het thema waar pensioenfondsen structureel het beste op scoren. Bijna alle grote fondsen publiceren hun volledige beleggingsportefeuille. Dit maakt externe controle mogelijk — niet alleen door de Eerlijke Geldwijzer, maar ook door journalisten, wetenschappers en deelnemers zelf.
Sinds de eerste meting in 2019 hebben de meeste fondsen hun beleid aangescherpt, vooral op klimaat en mensenrechten. Toch blijft het beeld gemengd: sommige fondsen scoren structureel beter dan anderen. De trend is positief, maar het tempo verschilt per fonds en per thema.
Niet wat fondsen doen, maar hóe ze deelnemers begeleiden: het operationele deelnemersdossier van de nieuwe stelsel. Met de massale invaargolven van 2027 en 2028 wordt keuzebegeleiding het centrale thema tussen uitvoerder, deelnemer en toezichthouder — en de meest waarschijnlijke bron van aansprakelijkheidsdiscussies.
De Wtp voegde bovenop de bestaande informatieplicht (art. 48 Pw: correct, duidelijk, evenwichtig en tijdig) een nieuwe open norm toe: keuzebegeleiding (art. 48a Pw). De praktijk hanteert daarvoor een driedeling, van licht naar zwaar:
Keuzebegeleiding moet de leemte tussen informeren en adviseren opvullen, maar is géén financieel advies in de zin van de Wfd. De uitvoerder moet "niet in de val trappen" om toch advies te geven — online of via een helpdesk. Tegelijk geldt: de zorgbehoefte van de deelnemer is de zorgplicht van de uitvoerder. Aansprakelijkheidsrisico: deelnemers met spijtkeuzes kunnen de uitvoerder aanspreken op ontoereikende begeleiding of onbegrijpelijke informatie — verwacht dit terug te komen in de rechtspraak na de invaargolven (zie de GIP-lijn in de rechtspraaksectie).
Bronnen: Gommer Advocaten — Informatieplicht en keuzebegeleiding in de Wtp · Werken aan ons Pensioen — Keuzebegeleiding (fondskening) · PlasBossinade — Informatieplicht en keuzebegeleiding Wtp.
Naast de officiële informatieketen (Pensioen 1-2-3, UPO, Mijnpensioenoverzicht.nl) bestaat een particuliere hulp: mijnpensioenlabel.nl geeft de deelnemer een indicatief kwaliteitslabel (A–G) voor de regeling van de werkgever, gebaseerd op de verwachte vervangingsratio (Nederlands gemiddelde: 68,5%, onder de 70–80% die onderzoek noemt als "voldoende"). De deelnemer weegt zelf ouderdoms- en nabestaandenpensioen; verzekeraars/PPI-regelingen krijgen via het premiepercentage alleen een indicatie. Ongeveer 130 regelingen in het overzicht; geen officiële bron, maar een relevant voorbeeld van bottom-up inzicht dat keuzebegeleiding en transparantie-ambities aanscherpt.
Experiment onder 2.024 gepensioneerden uit 35 bedrijfstakfondsen (incl. oververtegenwoordiging financieel kwetsbaren) met vier boodschappen over de Wtp-overgang (Netspar Industry Paper 2026-39, Festjens/Webers/Hensen):
Praktische les voor transitiecommunicatie: splits de boodschap op in zekere en onzekere elementen en begin bij wat zeker blijft — niet bij het draagvlak achter de hervorming.
De AFM vraagt aandacht voor heldere communicatie over de keuze tussen een stabiele uitkering en koopkrachtbehoud (met grotere kans op dalingen). Kern uit Transitiebulletin nr. 38 (mei 2026): "voorzienbare teleustellingen voorkomen" — communicatie mag geruststellend zijn, maar moet realistisch blijven en het beleid in scenario's doorrekenen. Verdere aandachtspunten: communicatie over de uitkeringsfase (april 2026), vrijwillige voortzetting en compensatie, en het testen van online keuzebegeleidingstools op fouten.
Bronnen: AFM — Keuzebegeleiding · AFM — Transitiebulletin Pensioenen (nr. 38, mei 2026) · PwC — Pensioenactualiteiten 2026-Q2.
De AFM heeft rond de keuzebegeleidingsnorm (sinds 1 juli 2023 in de Pensioenwet) een doorlopende publicatielijn: van de voorlopige leidraad (2022) via het sectoronderzoek (2025) naar specifieke aanbevelingen en toezichtsrappen. Tijdlijn van de belangrijkste documenten:
Rode drad uit de leidraad en het rapport: deelnemers verschillen in behoeftes, kenmerken en vaardigheden — hoe beter informatie en keuzeomgeving aansluiten, hoe beter de keuze; een goede, bij voorkeur gepersonaliseerde of gesegmenteerde default is essentieel; adequate keuzebegeleiding is een continu proces van inrichten, uitvoeren, monitoren, evalueren en verbeteren; en voorkom voorzienbare teleurstelling. De AFM toetst onder meer hoe de inrichting is onderbouwd en waarom die tot adequate begeleiding leidt voor déze deelnemerspopulatie. In 2026 staat keuzebegeleiding opnieuw prominent op de toezichtsagenda (o.a. onderzoek naar de gevolgen van keuzes rond pensionering, rapport in het najaar) naast het definitieve transitieoverzicht en het nieuwe nabestaandenpensioen.
Bronnen: AFM — Voorlopige leidraad keuzebegeleiding (nov 2022) · AFM — Leidraden en beleidsregels · AFM — Vijf vragen over keuzebegeleiding (feb 2025) · AFM — Rapport 'Keuzebegeleiding begint bij de deelnemer' (pdf) · AFM — Aanbevelingen keuzebegeleiding bij bedrag ineens (dec 2025) · AFM — Toezichtsagenda 2026.
De financiële geletterdheid van de gemiddelde deelnemer is niet hoog. De kritische vraag uit de praktijk (Gommer): kan de deelnemer zonder meer een goede keuze maken? Verdere ondersteuning door uitvoerder, werkgever en/of (eigen) adviseur lijkt nodig — precies de leemte die art. 48a open laat en die de sector nu invult met defaults, tools en keuzeomgevingen.
Sommige uitvoerders kiezen voor een stabiele, nominale uitkering; anderen voor koopkrachtbehoud met vergrote kans op dalingen. Beide keuzes zijn legitiem, maar de AFM eist dat de keuze en de gevolgen realistisch worden uitgelegd — geen geruststellende communicatie die later als misleiding voelt. Dit is het kernthema van de uitkeringsfase-communicatie 2026.
Onderdeel van keuzebegeleiding is de plicht om te waarschuwen bij niet-passende keuzes — maar wanneer is een keuze "niet passend", en hoe ver reikt die waarschuwingsplicht zonder advies te worden? Open norm, nog grotendeels door de praktijk te worden ingevuld (en uiteindelijk door de rechter).
De AFM eist een ingerichte keuzeomgeving: defaults die passen bij de gemiddelde risicohouding, framing die niet stuurt, en digitale tools zonder rekenfouten. De risicohouding die fondsen wettelijk moeten ophalen (zie de risicohouding-sectie) is daarbij de kalibratiebasis.
Bronnen: Fiscaal Vanmorgen — Kritische noten bij keuzebegeleiding nieuwe stijl · TKP Pensioen — Keuzebegeleiding: 5 (on)waarheden · Söderberg & Partners — Keuzebegeleiding voor pensioenuitvoerders.
De derde pijler — lijfrentes, banksparen en bancaire beleggingslijfrentes — is lang het stiefkindje van het pensioendebat. Onder de Wtp verandert dat: wie straks keuzevrijheid krijgt (bedrag ineens, variabele uitkeringen, eerder stoppen), zal vaker de rekenkamer van de fiscus betreden. Deze sectie brengt de fiscale bouwstenen, bedragen 2026 en de Wtp-randjes op één plek.
De kernsystematiek rond jaarruimte en reserveringsruimte bestaat al decennia (sinds 1994 de facto onveranderd qua architectuur), maar de jaartallen en percentages schuiven jaarlijks door. Cijfers 2026:
| Instrument | Aftrek/heet | Kenmerk 2026 | Wtp-relevantie |
|---|---|---|---|
| Lijfrenteverzekering | Aftrek box 1 | Jaarruimte max. € 35.589 | Vervangt dalende tweede-pijlerindexatie |
| Banksparen (lijfrenterekening) | Aftrek box 1 | Depotbankvoorschrift | Veilig alternatief bij lage rente |
| Bancaire beleggingslijfrente | Aftrek box 1 | Eigen beleggingskeuze binnen fiscale kaders | Past bij keuzevrijheid nieuwe stelsel |
| Tijdelijke oudedagslijfrente (TOL) | Uitkering belast | Max. € 27.192/jaar, 5–20 jaar | Brug tussen pensioendatum en AOW |
| Bedrag ineens (2e pijler) | Belast in één jaar | Max. 10% van ouderdomspensioen; telt op bij inkomen | Toeslagen en zorgpremie lopen terug — AFM eist adequate keuzebegeleiding |
Bronnen: Belastingdienst — Jaarruimte berekenen (fiscale cijfers 2026) · Onderlinge 's-Gravenhage — Belastingcijfers 2026 · ABN AMRO Financial Focus — Lijfrente & opbouw.
Twee recente microdata-studies laten zien hoe klein en selectief de derde pijler in de praktijk is — de belangrijkste onderbouwing voor het beleidsdebat over zzp'ers en de "witte vlek":
De AFM concludeerde in 2023 dat de derde pijler lage toegankelijkheid kent en riep aanbieders op drempels te verlagen (bekendheid, toegankelijkheid, vergelijkbaarheid); pensioenuitvoerders in de tweede pijler kunnen deelnemers met lage opbouw wijzen op de mogelijkheid zelf aan te vullen. De DNB-toereikendheidsanalyse van 27 juni 2024 is elders in dit dashboard opgenomen en wordt hier niet herhaald.
Bronnen: AFM — Pensioenopbouw via de derde pijler (2023, CBS-microdata 2020, pdf) · AFM — Onderzoek 'derde pijler': drempels voor consumenten · NIDI & Universiteit Leiden — De pensioenopbouw van de Nederlandse bevolking onder de loep (Demos, september 2025, CBS-microdata 2022) · CBS — Hebben zzp'ers een voorziening voor arbeidsongeschiktheid of pensioen? (zzp-statistiek 2024).
De eenmalige opname van max. 10% van het ouderdomspensioen wordt opgeteld bij het inkomen van dat jaar: hogere belasting, lagere toeslagen (huur/zorg), hogere ingehouden zorgpremie en soms terugbetaalde toeslagen. Voor de doelgroep (lage inkomens, kleine pensioenen) is het netto-voordeel daarmee vaak klein of negatief — precies waarom de AFM, uit hoofde van haar transitietoezicht, adequate keuzebegeleiding bij bedrag ineens verplicht stelt (zie de keuzebegeleidingssectie).
Wie geen werkgeverspensioen heeft, bouwt vrijwel uitsluitend op via de derde pijler. Toch betaalde in 2024 slechts 10,4% van de 1,2 mln zzp'ers met een hoofdinkomen uit ondernemerschap lijfrentepremie (CBS-zzp-statistiek; ook opgenomen in de Witte vlek-sectie). Bij een winst van € 100.000 is de premiegrondslag ~€ 80.828 en de jaarruimte max. ~€ 24.248. Sinds de FOR per 2023 dicht is, zijn lijfrente en bancaire beleggingslijfrente de enige fiscaal gefaciliteerde routes. Separate zzp-sectie in voorbereiding.
Vrij vermogen in box 3 wordt in 2026 forfaitair belast: het forfait bedraagt 6,19% voor banktegoeden en 6,04% voor beleggingen (vermenigvuldigd met het heffingstarief van 36%). De lijfrentewaarde valt tijdens de opbouw buiten box 3 — het fiscale verschil met sparen of beleggen buiten de derde pijler. Het voordeel is uiteindelijk afhankelijk van het tariefverschil tussen aftrek (inleg) en belasting (uitkering).
De Wtp maakt de tweede pijler flexibeler (bedrag ineens, variabele uitkering), maar een echt derde-pijlerproduct met flexibele opname (zoals het Vlaamse pensioensparen of het internationale "potje") ontbreekt in Nederland nog. Einddatum- en verplichtingeneisen van de lijfrente blijven strak — een structurele huidige mutatie in het fiscale debat.
Bronnen: Veel.nl — Fiscale aftrek lijfrente 2026 · Essity Pensioen — Bedrag ineens fiscale gevolgen · De Zaak — Jaarruimte en FOR · VRY van Fintessa — Jaarruimte 2026.
Alle fiscale bedragen en forfaits gelden voor belastingjaar 2026 en kunnen jaarlijks wijzigen. Aanvullende bronnen: AFM, Pensioenopbouw via de derde pijler (2023, op basis van CBS-microdata 2020); NIDI & Universiteit Leiden, De pensioenopbouw van de Nederlandse bevolking onder de loep (Demos, september 2025, CBS-microdata 2022). De DNB-toereikendheidsanalyse (27 juni 2024) is elders in dit dashboard opgenomen. Het zzp-percentage (10,4% betaalde lijfrentepremie in 2024) komt uit de CBS-zzp-statistiek (zie ook de sectie Witte vlek). De AFM-eis rond keuzebegeleiding bij het bedrag ineens volgt uit het AFM-transitietoezicht.
Ruim 1 op de 11 werknemers bouwt geen pensioen op via de werkgever — en voor het eerst sinds de metingen begonnen daalt die groep, met doorzet. De Wtp verandert er op zichzelf niets aan: wie geen regeling heeft, heeft ook geen transitie. Deze sectie brengt de harde cijfers samen — omvang, tijdreeks, uitsplitsing naar sector en contractvorm — en de beleidslijn die de witte vlek uiterlijk 1 januari 2028 moet halveren.
Tussen 2019 en 2023 daalde de witte vlek met ruim 30 procent, van 936.000 naar 680.000, terwijl het totaal aantal werknemers juist toenam (6,983 → 7,317 miljoen). De grootste motor: uitzendkrachten. De afschaffing van de wachttijd per 1 juli 2023 had zichtbaar effect — het aandeel zonder pensioen in de uitzendsector daalde van 32 procent (138.000) in 2019 naar 3 procent (9.000) in 2023. De rest van de witte vlek zit structureler: kleine werkgevers, jonge bedrijven en sectoren zonder cao-pensioen. De term zelf is ouder dan het huidige debat: al in 1987 signaleerde de pensioenkamer "witte vlekken op pensioengebied"; de DNB-studie Werkenden zonder pensioenopbouw (2022) verbond de actuele cijfers aan het bredere stelselbeeld.
Bronnen: CBS — Aantal werknemers zonder pensioen afgenomen met bijna 20% (feb 2024) · SER — Aantal werknemers zonder pensioen daalt (uitzenddaling 138.000 → 43.000) · CBS — Werknemers zonder pensioen 2022-2023 (update 29 september 2025) · DNB — Werkenden zonder pensioenopbouw (Occasional Studies, 2022, pdf) · VNO-NCW/MKB — Sociale partners goed op koers.
De witte vlek is niet gelijkmatig verdeeld: ze concentreert zich in specifieke sectoren, bij kleine werkgevers en in flexibele contractvormen. Overzicht van de beschikbare uitsplitsingen:
| Groep / sector | Kerncijfer | Toelichting |
|---|---|---|
| Advisering management & bedrijfsvoering | 34% (23.300 wn) | Sector met het hoogste aandeel witte vlek eind 2023: jonge beroepsbevolking, veel kleine bureaus en zzp'ers-met-personeel |
| Verloskundigen & paramedische praktijken | 28% (10.700 wn) | Tweede hoogste aandeel eind 2023 |
| Software-ontwikkeling & -uitgave | 24% (28.900 wn) | Grootste absolute groep: IT combineert jonge bedrijven met flexibele contractvormen |
| IT-advisering | 19% (12.900 wn) | Zelfde profiel als software: jonge beroepsbevolking, relatief veel kleine werkgevers |
| Uitzendsector (arbeidsbemiddeling) | 3% (9.000 wn) | Voormalig belichaming van de witte vlek (32% / 138.000 in 2019) — de afschaffing van de wachttijd per 1-7-2023 haalde de sector vrijwel volledig uit de statistiek |
| Kleine werkgevers (1–9 werknemers) | 266.000 wn (34%) | De hardste kern: een derde van de hele witte vlek eind 2023; jonge bedrijven tot 2 jaar met 1–10 werknemers het meest kansrijk op "witte werkgever" (VNO-NCW/MKB) |
| Zzp'ers (ter vergelijking) | 10,4% lijfrentepremie | Circa 1,2 mln zzp'ers; 10,4% betaalde in 2024 lijfrentepremie als pensioenvoorziening — aandeel daalde eerder dan dat het steeg; zelfstandigen leunen deels op woning en vrije besparingen |
| Payroll & overige flexvormen | Niet afzonderlijk gemeten | Het CBS publiceert geen aparte payroll-uitsplitsing; payrollers vallen deels onder arbeidsbemiddeling |
Bronnen: CBS — Werknemers zonder pensioen 2022-2023, sector- en werkgeversuitsplitsing (29 september 2025) · CBS — Hebben zzp'ers een voorziening voor pensioen? (2024) · VNO-NCW/MKB — Sociale partners goed op koers.
De Stichting van de Arbeid presenteerde in 2020 het aanvalsplan, in 2022 aangescherpt tot 22 actiepunten om meer werknemers pensioen te laten opbouwen: het meld- en informatiepunt geenpensioen.nl bij de SER, bewustwordingscampagnes richting werkgevers, pilots voor kleinere bedrijven en cao-afspraken (o.a. pensioen vermelden in vacatureteksten, verlaging van de toetredingsleeftijd). De ambitie — halvering naar 468.000 of minder uiterlijk 1 januari 2028 — is in de Wet toekomst pensioenen verankerd. Een tussenevaluatie volgt zodra de CBS-cijfers over 2024 beschikbaar zijn (verwacht in 2026); ligt de voortgang onvoldoende op koers, dan is een wettelijke pensioenplicht als terugvaloptie genoemd (Kamerbrief minister Paul, 17 november 2025).
De Stichting van de Arbeid adviseerde minister Schouten vier modaliteiten om zelfstandigen toegang te geven tot de tweede pijler — van vrijwillige aansluiting tot verplichte deelname per sector. Kern: de geschiktheid verschilt per sector, collectiviteitskring of onderneming, dus decentraal maatwerk door sociale partners. De Wtp biedt ondertussen zelf twee openingen: de fiscale ruimte voor pensioensparen in de derde pijler wordt verruimd naar het niveau van de tweede pijler, en via een experimenteerbepaling kunnen zelfstandigen vrijwillig worden aangesloten bij een pensioenregeling in de tweede pijler (zie ook sectie 28).
Bronnen: StvA — Advies pensioenopbouw zelfstandigen in de tweede pijler (maart 2024) · StvA — Advies (pdf) · Kabinetsreactie IBO Pensioenopbouw in balans + StvA-adviezen (2024) · Kamerbrief minister Paul (SZW) over de voortgang van de witte-vlekaanpak, 17 november 2025 · CBS — Werknemers zonder pensioen 2022-2023 (29 september 2025).
De VBDO (Vereniging van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling) publiceert sinds 2006 jaarlijks de benchmark Verantwoord Beleggen door Pensioenfondsen. De 50 grootste Nederlandse pensioenfondsen worden beoordeeld op vier dimensies. De benchmark is hét kompas voor duurzaamheid in de Nederlandse pensioensector.
De benchmark van 2024 introduceerde een herziene methodologie die verder gaat dan naleving van regelgeving. Het motto is: “Put your money where your mouth is” — fondsen worden niet alleen beoordeeld op wat ze zeggen, maar op hoe consistent hun duurzaamheidsambities door het hele investeringsproces lopen.
De VBDO gebruikt een sterrenrating (0–5) naast een ranglijst (1–50). Voor 5 sterren moet een fonds minimaal 4,5 scoren op álle vier categorieën. Voor 4 sterren is een totaalscore van minimaal 4,0 vereist, met minimaal 3,5 per categorie. De benchmark is ontworpen als leermiddel voor de sector — niet als straf, maar als stimulans voor continue verbetering.
Onderstaande tabel toont de VBDO-scores (0–5) per categorie voor de top 10 fondsen. Hoger is beter. Klik op een kolomkop om te sorteren.
| Fonds↕ | Governance↕ | SAA↕ | Portfolio↕ | Individueel↕ | Totaal↕ | Sterren↕ |
|---|
Bron: VBDO Benchmark on Responsible Investment by Pension Funds in the Netherlands 2024. Scores zijn op schaal 0–5. Sterrenrating: 5★ = ≥4,5 op alle categorieën; 4★ = totaal ≥4,0 en per categorie ≥3,5; 3★ = totaal 3,5–3,9; 2★ = totaal 2,5–3,4; 1★ = totaal 1,5–2,4.
De VBDO-benchmark 2024 toont een opmerkelijke verschuiving: 83% van de 50 grootste pensioenfondsen neemt biodiversiteit op in het verantwoord-beleggingsbeleid. 100% voert corporate engagement over biodiversiteit en 74% neemt het op in stembeslissingen. Dit markeert een nieuwe fase waarin natuurlijk kapitaal naast financieel kapitaal wordt erkend als strategisch risico.
De VBDO constateert dat kleine en middelgrote fondsen steeds meer concurreren met grote fondsen. De prestatiekloof tussen fondsen van verschillende omvang wordt smaller — wat aantoont dat duurzaam beleggen niet alleen een zaak is van schaalgrootte, maar van ambitie en governance.
| Dimensie | Eerlijke Geldwijzer | VBDO Benchmark |
|---|---|---|
| Focus | Beleid op 7 thema’s (klimaat, wapens, mensenrechten, etc.) | Proces op 4 categorieën (governance, SAA, portfolio, individueel) |
| Scope | 10 grootste fondsen | 50 grootste fondsen |
| Score | 0–10 per thema | 0–5 sterren, totaalscore |
| Data | Publiek beschikbaar beleid | Questionnaire + documentatie + publieke info |
| Doel | Transparantie en publieke verantwoording | Sectorverbetering en leermiddel |
| Frequentie | Incidenteel (laatste volledige meting 2019) | Jaarlijks sinds 2006 |
| Winnaar 2024 | — (geen recente volledige meting) | Pensioenfonds Detailhandel (algemeen), PME (groot) |
De Eerlijke Geldwijzer kijkt naar wat fondsen uitsluiten en bevorderen (thematisch). De VBDO kijkt naar hoe fondsen dat organiseren (procesmatig). Samen geven ze een vollediger beeld van de duurzaamheidsprestatie dan elk afzonderlijk. Voor deelnemers die willen vergelijken: de VBDO is actueler en breder, de Eerlijke Geldwijzer is specifieker op controversiële thema’s.
De brutoschuld van huishoudens oogt in Nederland hoog. Maar zet men het pensioenvermogen als tegenpost, dan kantelt het beeld. Groen betekent dat het pensioenvermogen de schuld overtreft.
Staven of punten vergelijken netto uitkomsten (vaak vervangingsratio of score) tussen landen of varianten. Let op of het om OECD-netto, Mercer-deelscore of een andere definitie gaat — dat staat in de as- of sectietitel.
Op brutoschuld staat Nederland bijna onderaan (plaats 18 van 20). Na aftrek van het pensioenvermogen schuift Nederland naar plaats 8, met een negatieve nettoschuld. De kwetsbaarheid zit in de liquiditeit bij een renteschok, niet in het opgebouwde vermogen zelf.
Bron: UBS Global Wealth Report 2024, OECD, CBS, DNB, Marsh CFA Institute GPI 2026. Nettoschuld is een benadering wegens de omrekening tussen bbp en inkomen.
Onder de Wtp stromen miljoenen deelnemers naar verzekeraars en PPI's. Hoe duurzaam worden hun pensioenpremies belegd? Analyse op basis van VBDO Verzekeraars 2025, Eerlijke Verzekeringswijzer 2024, DJSI/S&P CSA en Sustainalytics.
| Aanbieder | Type | Product | Benchmarkbasis |
|---|---|---|---|
| a.s.r. / Aegon Cappital | Verzekeraar | Werknemerspensioen / Aegon Cappital DC | Directe data a.s.r.; Aegon Cappital als proxy |
| NN Group / BeFrank | Verzekeraar / PPI | NN Pensioenbeleggen / BeFrank DC | Directe data NN Group; BeFrank als proxy |
| Allianz | Verzekeraar | Allianz Pensioen | Allianz SE als proxy |
| Allianz PPI | PPI | Allianz Premie Pensioen Instelling B.V. | Overname Rabo PGGM PPI (1 aug 2021). Geen afzonderlijke externe benchmark. |
| Athora / Zwitserleven / ZL PPI | Verzekeraar / PPI | HorizonBeleggen / PPI netto pensioen | Directe data Athora Netherlands N.V. |
PPI's hebben geen afzonderlijke externe benchmarkscore; proxy via moederorganisatie. Bron: eigen benchmarkanalyse maart 2026.
De VBDO beoordeelt verantwoord beleggen (governance, beleid, implementatie, transparantie); de EVW toetst maatschappelijk beleid (klimaat, wapens, mensenrechten, etc.). De bubblegrootte toont de samengestelde proxy-score. Klik op een bubble voor details.
Athora / Zwitserleven staat op gedeelde positie 4 in de VBDO-benchmark (4,0/5) maar op de laagste positie (16/16) in de Eerlijke Verzekeringswijzer (1,0/10). Dit extreme verschil weerspiegelt het onderscheid tussen implementatie/transparantie (VBDO) en maatschappelijk beleidscommitment (EVW). De Bermuda-ownership en niet-beursgenoteerde structuur dragen bij aan lagere publieke beleidscommitments.
| Aanbieder | VBDO 2025 (/5) | EVW 2024 (/10) | DJSI/CSA 2024 | Sustainalytics | Proxy (/100) |
|---|
Genormaliseerde scores op schaal 0–100, gelijkgewogen. DJSI en Sustainalytics zijn niet opgenomen omdat geen volledige NL-ranglijst beschikbaar is.
Consistente #1 op alle NL-benchmarks: VBDO 4,4/5, EVW 8,3/10, DJSI World (#9 wereldwijd, #5 Europa), Sustainalytics 12,3 (Laag). Aegon Cappital valt onder a.s.r.-beleid sinds 2023. Geen afzonderlijke PPI-benchmark beschikbaar.
Sterk VBDO-profiel (4,2/5, #2) maar matiger in EVW (6,7/10, #6). BeFrank biedt drie lifecycles (passief, actief, duurzaam) met kwartaalrapportage ESG-indicatoren. Geen eigen externe benchmark als PPI.
Internationaal sterk (DJSI CSA 89/100) maar zwak op NL-beleid (EVW 3,2/10, #15). Het verschil tussen wereldwijde ESG-integratie en NL-specifieke beleidsscreening is significant. De verzekeraar opereert onder Allianz SE.
Voortgekomen uit de overname van Rabo PGGM PPI per 1 augustus 2021 door Allianz. De nieuwe naam is Allianz Premie Pensioen Instelling B.V. Geen afzonderlijke externe benchmark beschikbaar; proxy via Allianz SE.
Extreem contrast: VBDO #4 (4,0/5) vs. EVW #16 (1,0/10). Geen DJSI/Sustainalytics (niet-beursgenoteerd). Zwitserleven lanceerde een duurzaamheidsdashboard voor klanten. ZL PPI proxy via Athora.
Onder de Wtp kiezen miljoenen deelnemers een lifecycle-strategie bij een verzekeraar of PPI. Hoe presteren deze strategieën? Welke kosten drukken op het eindkapitaal? En hoe vaak moet een deelnemer een beurscrash doorstaan?
Vergelijking van passieve lifecycles per aanbieder (1-jaars, 3-jaars en 5-jaars rendement). BeFrank en NN Group zijn separaat weergegeven. Centraal Beheer PPI (ex-ABN AMRO PPI, overgenomen door Achmea per september 2022) is toegevoegd op basis van gepubliceerde performance-data (53 jaar en jonger, Lifecycle Neutraal). Cijfers zijn representatief voor 2021–2025.
Bron: publieke fondsrapportages, beleggingsbrochures, kwartaalupdates 2024–2025 en marktdata. Centraal Beheer PPI-cijfers zijn afkomstig uit het gepubliceerde performanceoverzicht lifecycle beleggen (mei 2026, 53 jaar en jonger, Lifecycle Neutraal). Historische rendementen bieden geen garantie voor de toekomst.
Jaarlijks onderzoek van Bell Pension Consultants & Actuaries naar collectieve individuele premieregelingen (17e editie). Context bij de uitvoerdersgrafieken hierboven — geen 1-op-1 vervanging van fondsspecifieke reeksen.
De Bell-ranges zijn sectorbreed (defaults en productvarianten). Jullie staafdiagrammen tonen specifieke aanbieders (1j/3j/5j). Gebruik Bell om te zien of een uitvoerder binnen de bandbreedte van 2024 valt; gebruik de staven voor onderlinge ranking op langere horizons.
Bron: Bell — Lifecycle Pensioen 2025 (18 december 2025) · PDF rapport Lifecycles 2025 · PDF nieuwsartikel.
Vergelijking van neutrale lifecycles van zeven uitvoerders met een beschikbare premieregeling. Meetkundig gemiddelde over 10 jaar, na werkelijke beleggingskosten (OCF+). De spreiding tussen uitvoerders bedraagt circa 1%-punt op 10-jaars basis, maar is per jaar groter.
Per kalenderjaar: band = bandbreedte laagste–hoogste; staven laag, gem (7 uitvoerders) en best. Negatieve jaren tonen rode waarden. Op 10-jaarsbasis is de spreiding beperkt (~1 pp), per jaar groter.
| Uitvoerder | Type | Stijl | Opmerking |
|---|---|---|---|
| a.s.r. Cappital | PPI | Single manager | Onderdeel a.s.r. |
| Allianz | Verzekeraar | Neutraal | Allianz Pensioen |
| a.s.r. Doenpensioen | PPI | Neutraal | Onderdeel a.s.r. |
| Nationale Nederlanden | Verzekeraar | Passief | NN Group |
| a.s.r. Werknemerspensioen | Verzekeraar | Neutraal | Onderdeel a.s.r. |
| Zwitserleven | Verzekeraar | Neutraal | Onderdeel Athora |
| BeFrank | PPI | Passief | NN Group |
| Centraal Beheer PPI | PPI | Passief | Achmea · ex-ABN AMRO PPI (sept 2022) |
Het gemiddelde van alle uitvoerders is representatiever dan een synthetische index, omdat die de werkelijke diversificatie, kosten en vooruitzichten van de lifecycles te sterk zou versimpelen. De rendementen zijn netto na werkelijke beleggingskosten (OCF+), die per regeling verschillen (grofweg 24–47 bp). Over tien jaar is de spreiding tussen uitvoerders circa 1%-punt; per jaar is de spreiding groter, gemiddeld circa 4%-punt. Grote uitschieters in een enkel jaar komen soms door keuzes die op lange termijn niet per se beter uitpakken, zoals het volledig afdekken van valutarisico.
De hier getoonde rendementen zijn realisaties uit het verleden. Voor toekomstige planning gebruiken pensioenfondsen en verzekeraars DNB-scenariosets met langetermijnparameters. Zoals Bob Galesloot (BGEZ) benadrukt: de CP2022-parameter van +5,4% (vóór kosten) is een asymptotische waarde — een modelaanname voor oneindig ver in de toekomst. De werkelijke kortetermijnverwachtingen in DNB-scenario's zijn elk kwartaal anders en liggen structureel hoger. Wie het +5,4% als "het verwachte rendement" behandelt, onderschat de complexiteit van pensioenmodellering. Bron: Bob Galesloot, LinkedIn 2025–2026.
Bron: Rendementen neutrale lifecycle, juni 2026. Gebaseerd op publicaties van de afzonderlijke uitvoerders en hun lifecyclesamenstelling. Eigen bewerking. Rendementen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst.
Onderzoek van AAA Risk Finance (2025) toont dat valutarisico's een doorslaggevende factor zijn in het rendementsverschil tussen verzekeraars en PPI's. Omdat Nederlandse lifecycles wereldwijd beleggen, is de exposure naar euro versus dollar, yen en emerging market valuta's een belangrijke differentiator. De hoge rendementen van Centraal Beheer PPI in 2021-2025 zijn deels toe te schrijven aan gunstige valutabewegingen in combinatie met de hoge aandelenexposure (53 jaar en jonger).
De kostenratio (percentage van belegd vermogen) eet structureel rendement op. Bij een verschil van 0,10% over 40 jaar kan dit oplopen tot circa 4% minder eindkapitaal. Vergelijking beperkt tot passieve lifecycles voor eerlijke vergelijkbaarheid.
Een millennial die in 2026 start met pensioenopbouw, zal naar verwachting 3 tot 4 grote beurscrashes meemaken voor het pensioen. De Wtp-lifecycles bouwen risico af naarmate de pensioendatum nadert, maar de vraag blijft: hoe lang duurt het herstel?
De gemiddelde herstelduur na een grote crash is 4–7 jaar. Omdat Wtp-lifecycles het risico automatisch afbouwen (meer obligaties, minder aandelen naarmate de pensioendatum nadert), is de impact van een crash op 55-jarige leeftijd veel kleiner dan op 30-jarige leeftijd. Tegelijkertijd: wie vlak voor pensioen in 2008 zat, had bijna geen tijd meer om te herstellen. De Wtp biedt geen garantie, wel een mechanisme.
| Aanbieder | Strategie | SFDR | 1 jr (%) | 3 jr (%) | 5 jr (%) | Kosten (%) | Opmerking |
|---|
Expliciete, toetsbare overtuigingen over marktwerking, risico, rendement, duurzaamheid en governance. Met het nieuwe stelsel, geopolitieke verschuivingen en grotere eisen aan uitlegbaarheid is de vraag niet langer óf fondsen investment beliefs moeten formuleren, maar hoe snel. Verwerking van het overzichtsartikel van Wil J.T. Sillen (september 2026), aangevuld met de wetenschappelijke onderbouwing.
De evolutie liep van intuïtieve beginselen (spreiding is verstandig, risico wordt beloond) via de academische fundamenten — Markowitz (portefeuilletheorie, 1952), Sharpe (CAPM, 1964), Fama (efficiënte markten, 1970) — naar expliciete, toetsbare overtuigingen vanaf ±2000. Aanleidingen: complexere producten (derivaten, private markets), behavioral finance (Kahneman, Thaler), en vooral regelgeving.
Het FTK (2007, herzien 2015) vraagt consistentie, onderbouwing en transparantie. De Prudent Person-regel (2003, verankerd in de Pensioenwet 2007) verplicht fondsen alleen risico's te nemen die ze kunnen onderbouwen en begrijpen. DNB ziet investment beliefs als "een essentieel onderdeel van goed beleggingsbeleid en governance": fondsen moeten expliciete overtuigingen hebben, aansluiten bij het risicoprofiel en periodiek herijken. Beliefs operationaliseren dus de toezichteisen — geen nice-to-have.
Bron: Sillen (2026), secties 2–4; DNB — Beleggingen pensioenfondsen (prudentieel toezicht).
Onderzoek naar institutionele beleggers laat zien dat subjectieve verwachtingen over rendement en risico systematisch doorwerken in portefeuille-allocaties; verschillen tussen fondsen worden grotendeels verklaard door verschillen in beliefs, en governance-kwaliteit bepaalt hoe consistent die worden toegepast (Andonov, Jansen & Rauh, 2025; Andonov, Hochberg & Rauh over governance, 2018). Conclusie voor de bestuurspraktijk: beliefs zijn geen "soft" governance-instrument maar raken de kern van het beleggingsbeleid — en explicitering maakt het mogelijk biases te herkennen, aannames te toetsen en consistentie te bewaken.
Bron: Andonov, Jansen & Rauh — Subjective Beliefs and the Portfolio Allocations of Institutional Investors (SSRN 5498920, 2025) · Andonov, Hochberg & Rauh — Political Representation and Governance (Journal of Finance, 2018) · Andonov & Rauh — The Return Expectations of Public Pension Funds (Review of Financial Studies, 2022).
De echte waarde zit niet in het expliciet maken van overtuigingen, maar in het toetsbaar houden ervan: periodiek toetsen, bevestigen of actualiseren. "Overtuigingen geven richting, maar mogen nooit vrijstelling krijgen van twijfel."
De Wtp verandert de fundamentele logica van pensioenbeleggen — beliefs die niet worden herzien, sluiten niet meer aan op het nieuwe stelsel:
Rente is opnieuw een dominante risicofactor. FPR: rente-afdekking afgestemd op het risicoprofiel — defensieve profielen hoge hedge (40–60%) en korte duration, neutraal 20–40%, offensief 0–20% met meer aandelen en real assets. SPR: collectieve rente-hedge (circa 30–50%), afgestemd op solidariteitsreserve en stabiliteitsdoelstelling; duration actief beheerd om schokken te dempen en intergenerationele effecten te beperken.
Van bestuursbesluit tot evaluatie — een governance-proces waarin deelnemersbetrokkenheid onder de Wtp geen "nice to have" meer is, maar een vereiste (risicohouding verplicht opgehaald; VO/BO toetst op evenwichtige belangenafweging).
Governance-les: laat de fiduciair manager de beliefs niet schrijven — het bestuur moet eigenaar zijn. Beliefs mogen niet te gedetailleerd zijn (anders worden het regels), moeten intern consistent zijn en uitlegbaar voor deelnemers.
Bron: Wil J.T. Sillen — Investment Beliefs: Waarom Pensioenfondsen Niet Meer Zonder Kunnen (LinkedIn, 8 september 2026). Aanvullende context: ASR Vermogensbeheer — tijd voor herbezinning? · AF Advisors — Wtp vraagt om scherpe beleggingsovertuigingen · CFA Society Netherlands — Investment beliefs.
Een simulatie van het nieuwe Wtp-stelsel (DC met lifecycle-risico-afbouw) versus het oude DB-stelsel over de periode 1924–2024. Gebaseerd op het onderzoek van Sprenkels en DNB-modellen. De vraag: zou het Wtp-stelsel deelnemers structureel beter of slechter hebben gedaan dan het oude stelsel?
Elk punt toont de gemiddelde jaarlijkse uitkering als percentage van het laatste loon, berekend over een rolling 40-jaar periode. De Wtp-lijn simuleert een DC-opbouw met lifecycle-afbouw; de DB-lijn simuleert een defined-benefit opbouw met historische indexatie. Een waarde boven 100% betekent een hogere uitkering dan het oude stelsel.
In 47 van de 61 rolling 40-jaar periodes (1924–1964 t/m 1984–2024) leverde het Wtp-stelsel een hogere uitkering dan het oude DB-stelsel. De gemiddelde voorsprong bedraagt circa 12%. De DB-lijn toont diepe dalen in periodes met indexatiekortingen (1973–1982, 2008–2015). Het Wtp-stelsel is volatieler, maar herstelt sneller door beleggingsrendementen. Let op: de simulatie maakt aannames over rendementen, kosten en risico-afbouw die in de praktijk kunnen afwijken.
| Periode | Wtp | DB | Verschil |
|---|---|---|---|
| 1950–1990 | 118% | 94% | +24% |
| 1949–1989 | 116% | 93% | +23% |
| 1982–2022 | 121% | 101% | +20% |
| 1983–2023 | 119% | 100% | +19% |
| 1948–1988 | 114% | 96% | +18% |
| Periode | Wtp | DB | Verschil |
|---|---|---|---|
| 1924–1964 | 92% | 100% | -8% |
| 1925–1965 | 94% | 101% | -7% |
| 1926–1966 | 95% | 101% | -6% |
| 1927–1967 | 97% | 102% | -5% |
| 1928–1968 | 98% | 102% | -4% |
Bron: Gebaseerd op DNB-modellen en Sprenkels-analyse (100-jaar backtest Wtp). Simulatie maakt aannames over rendementen (aandelen 6,5% reëel, obligaties 2,0% reëel), kosten (0,40%) en risico-afbouw (100% aandelen op 25-jarige leeftijd → 30% aandelen op 67-jarige leeftijd). Historische indexatie DB gebaseerd op CBS en DNB data.
De backtest is een modelmatige simulatie, geen harde voorspelling. Belangrijke aannames: (1) reële rendementen aandelen 6,5% en obligaties 2,0%; (2) kostenratio 0,40%; (3) risico-afbouw van 100% aandelen (leeftijd 25) naar 30% aandelen (leeftijd 67); (4) DB-indexatie volgens historische CBS/DNB patronen. De toekomst kan afwijken van het verleden.
DNB publiceert elk kwartaal scenariosets met 100.000 paden. Opvallend: na circa 40 jaar liggen de lijntjes van alle vijftien gepubliceerde sets nagenoeg op elkaar — waar je vooral simulatieruis zou verwachten. Onderzoek van Bob Galesloot (BGEZ) wijst uit dat dit een effect is van de pseudotoevalsgenerator: DNB geeft deze kennelijk niet telkens een ander zaadje mee, waardoor een zich herhalend patroon ontstaat dat niet voortkomt uit de onderliggende modelspecificatie.
Praktische les: bij 2.000 of 10.000 scenario's zie je waarschijnlijk nog heftiger "vaste" patronen die er onderliggend niet zijn. Hoe meer scenario's, hoe dichter je bij de werkelijke modelspecificatie komt. Dit is relevant voor iedereen die DNB-scenario's gebruikt voor ALM of stresstests. Bron: Bob Galesloot, LinkedIn-analyses 2025–2026.
De backtest ondersteunt het argument dat het Wtp-stelsel structureel voordeliger is voor de meeste generaties, maar met hogere volatiliteit. De vraag is niet óf het Wtp-stelsel beter is, maar óf de politieke en sociale buffers (solidariteitsreserve, garantieregelingen) voldoende zijn om de uitzonderlijke slechte periodes op te vangen.
Waar de 100-jaar backtest historisch ver terugkijkt, simuleert Aegon Asset Management wat er was gebeurd als het Wtp-stelsel was ingevoerd in 2007 — vlak voor de financiële crisis. Deze analyse gebruikt de solidaire premieregeling (SPR) met een solidariteitsreserve van 5% en toetst vier concrete maatmensen af tegen het oude FTK-stelsel. Bron: Aegon Asset Management, Backtest Wtp: 2007–2025 (2026).
| Jaar | Verandering | Inflatie | Jaar | Verandering | Inflatie |
|---|---|---|---|---|---|
| 2007 | 0,0% | 1,6% | 2017 | +5,1% | 1,4% |
| 2008 | 0,0% | 2,5% | 2018 | +2,9% | 1,7% |
| 2009 | 0,0% | 1,2% | 2019 | +6,1% | 2,6% |
| 2010 | 0,0% | 1,3% | 2020 | +4,8% | 1,3% |
| 2011 | 0,0% | 2,3% | 2021 | +7,8% | 2,7% |
| 2012 | 0,0% | 2,5% | 2022 | +2,8% | 10,0% |
| 2013 | 0,0% | 2,5% | 2023 | +3,5% | 3,8% |
| 2014 | +0,4% | 1,0% | 2024 | +5,0% | 3,3% |
| 2015 | +5,4% | 0,6% | 2025 | +4,1% | 2,9% |
| 2016 | +5,5% | 0,3% |
Bron: Aegon Asset Management, Backtest Wtp: 2007–2025. Verandering = collectieve uitkeringsfase SPR. Inflatie = CBS consumentenprijsindex.
Aegon vergelijkt de "model lifecycle" (150% overrendement op 38 jaar → 60% op 68 jaar, 25%→100% renteafdekking) met de gemiddelde lifecycle die pensioenfondsen daadwerkelijk kiezen:
Resultaat: de gemiddelde fonds-lifecycle bleef 13% achter op de modelvariant voor gepensioneerden, en 8% achter voor jonge deelnemers. De backtest bevestigt: risico nemen loont, ook in crisistijd. De solidariteitsreserve (stabiel rond 5–6%) voorkwam in alle gevallen dat uitkeringen daalden.
Voor alle vier maatmensen pakte de solidaire premieregeling (SPR) beter uit dan de FTK-uitkeringsregeling. De solidariteitsreserve bleef stabiel (5–6%), inflatie werd op termijn bijgehouden, en zelfs na de zwaarste crisis sinds 1929 werden verlagingen voorkomen. De praktische les: het beleggingsbeleid — en met name de lifecycle — is beslissend voor het uiteindelijke pensioenresultaat. Te defensief beleid kost deelnemers structureel pensioeninkomen.
De Mercer-index scoort Nederland als #1 pensioenstelsel wereldwijd — maar dat oordeel geldt voor het totale stelsel, inclusief AOW. Zonder de AOW zakt Nederland fors in de ranglijst. Deze sectie toont de demografische en financiële druk op de eerste pijler.
De blauwe lijn (linker as) toont de AOW-premie als percentage van het brutoloon. De rode lijn (rechter as) toont het aantal werkenden per AOW-gerechtigde. Beide lijnen lopen sinds 1957 structureel op elkaar toe: meer premie, minder dragers.
De AOW-premie is gestegen van 0% in 1957 (introductie) naar 17,9% in 2025. Tegelijkertijd daalde de verhouding werkenden/AOW'ers van 7,0 naar 3,0. Dit betekent: elke werkende draagt nu meer premie voor minder AOW'ers. De AOW-leeftijd is al verhoogd naar 67 jaar; verdere verhogingen (67+3 maanden in 2028) liggen in het verschiet. De vraag is niet óf de AOW betaalbaar blijft, maar hoeveel premie en hoeveel pensioenleeftijd de politiek acceptabel vindt.
Hoe staat Nederland qua AOW-vervangingsratio en pensioenleeftijd in vergelijking met andere EU-landen? Een hogere vervangingsratio betekent een rijkere eerste pijler; een hogere pensioenleeftijd betekent een kleinere last.
Bron: OECD Pensions at a Glance 2025, EU Ageing Report 2024. Vervangingsratio = netto AOW-uitkering als % van netto gemiddeld loon. Pensioenleeftijd = wettelijke AOW-leeftijd of equivalent.
De Marsh CFA Institute GPI beoordeelt alle drie de pijlers samen. Nederland scoort 85,8/100 omdat de combinatie van AOW (1e pijler), pensioenfondsen/verzekeraars (2e pijler) en individuele aanvullende pensioenen (3e pijler) samen een hoog vervangingsratio oplevert. Zonder AOW zou de toereikendheidsscore (87,7) fors lager uitvallen.
De #1-positie van Nederland is niet gratis. De AOW-premie van 17,9% (plus de verplichte 2e-pijlerpremie, zie de premie-tijdreeks) is een van de hoogste premielasten in de EU. De pensioenleeftijd van 67 jaar is bovengemiddeld. En de Wtp-transitie verschuift risico's van collectief naar individueel. Mercer meet het resultaat van het stelsel, niet de kosten of de verdeling ervan.
Nederland is #1 in de Mercer CFA GPI — maar die positie heeft een prijs. Werknemer en werkgever betalen samen een van de hoogste pensioenpremielasten van de EU: de AOW-premie (1e pijler) plus de verplichte pensioenfondspremie (2e pijler) samen ruim 30% van het pensioengevende loon. Deze sectie onderbouwt de "prijs van #1"-boodschap uit de inleiding met een historische reeks.
| Jaar | AOW-premie (1e pijler) | 2e pijler (gemiddeld) | Totaal | Duiding |
|---|---|---|---|---|
| 2010 | 17,9% | ±11,9% | ±29,8% | Na krimp 2008-2009 (premieverlagingen) |
| 2012 | 17,9% | ±11,6% | ±29,5% | Laagtepunt premieopbouw, herstelmiddelen op orde |
| 2015 | 17,9% | ±14,8% | ±32,7% | Premieherstel na dekkingsgraadscrisis |
| 2018 | 17,9% | ±15,1% | ±33,0% | Indexatiehonger, premies op hoogtepunt |
| 2020 | 17,9% | ±15,4% | ±33,3% | Hoogtepunt: aflossings- en risicodelingmaatregelen |
| 2022 | 17,9% | ±14,0% | ±31,9% | Rente stijgt, dekkingsgraden herstellen |
| 2023 | 17,9% | ±12,9% | ±30,8% | Premieverlagingen bij hoge dekkingsgraden |
| 2024 | 17,9% | ±12,5% | ±30,4% | Uitstelrem indexatie, premies omlaag |
| 2025 | 17,9% | ±12,4% | ±30,3% | Wtp-transitie: premie-definities in beweging |
De totale pensioenlast (werknemer + werkgever, 1e + 2e pijler samen) schommelt al tien jaar rond 30–33% van het pensioengevende loon. De AOW-premie is constant (17,9%), dus vrijwel alle variatie zit in de 2e pijler: premieverlagingen na 2008, herstel naar ±15% rond 2018–2021, en daling naar ±12,5% sinds de dekkingsgraden herstelden. Zonder deze premielast was er geen top-3 positie in de Mercer-index geweest — de hoge toereikendheidsscore is direct gekocht met deze premie.
De AOW-premie (17,9% sinds 2009, in 2025 en 2026 ongewijzigd) is exact en publiek (Belastingdienst, SVB). De 2e-pijlerpercentages zijn gemiddelden (premie-inkomsten ten opzichte van het pensioengevend loon, orde van grootte) op basis van DNB-statistieken — fondsvoor-fonds verschillen zijn groot (bv. PFZW 25,9% totaal in 2025). Exacte jaarcijfers worden in de maandelijkse bronnencheck geharmoniseerd met DNB publicaties.
Het Koninklijk Actuarieel Genootschap publiceerde op 8 september 2026 de Prognosetafel AG2026 — de sterftetafel waarmee vrijwel elk Nederlands pensioenfonds rekent. De update ten opzichte van AG2024 raakt de kern van elke pensioenbalans: voorzieningen, dekkingsgraad, inkoopfactoren en nabestaandenrisico's.
De cohortlevensverwachting bij geboorte (2027) daalt met circa 4 maanden voor zowel mannen als vrouwen ten opzichte van de AG2024-prognose. De lijn blijft stijgend, maar vlakker. Praktisch voorbeeld: wie op 65-jarige leeftijd €400.000 inruilt voor een lijfrente van €20.000 per jaar, krijgt straks ruim €20.200 — levenslang, in dezelfde euro's. Een fonds met €5 miljard verplichtingen houdt circa €50 miljoen over aan vrijgekomen voorziening.
AG2026 is meer dan een data-update: met het nieuw normaal-scenario kiest het AG een andere visie op de sterfte-toekomst, aansluitend bij de CBS-update van december 2025. Check bij implementatie:
De AG2026-doorwerking zit in vrijwel elke sectie van dit dashboard: dekkingsgraden (Q3 2026-rapportages krijgen ≈1pp mee), invoering Wtp (lagere voorzieningen = ruimte in transitieplannen en compensatiereserves), verzekeraars/PPI's (inkoopfactoren en risicopremies) en de AOW-betaalbaarheid (vlakkere stijging demografische druk). Fondsen rapporteren straks met hogere dekkingsgraden zonder dat er vermogen is bijgekomen — een boekhoudkundig gevolg van de langere-horizon-sterfte-eenheid.
Bron: Koninklijk Actuarieel Genootschap — Prognosetafel AG2026 (Commissie Sterfte Onderzoek, 8 september 2026). Praktijkvoorbeelden (inkoopfactor, voorziening, partnerpensioen, oversterfte 2025) zijn vertalingen van de AG2026-uitkomsten naar een gemiddelde portefeuille. De tafel is een prognose, geen garantie: de werkelijke sterfteontwikkeling kan afwijken.
Onafhankelijke doorrekening (URM-rekentabellen.nl / PensioenWetwerk, 8 september 2026) van dezelfde Wtp-voorbeeldportefeuille onder AG2024 en AG2026 — zelfde DNB CP2022 P-set (28.000 scenario's), sekseneutrale weging 70/30, richtleeftijd 68, variabele uitkering. Omdat de economie identiek is, is het verschil puur het sterfte-effect.
Opvallende nuances: de vrouwenkansen boven 65 stijgen ruwweg drie keer zo hard als de mannenkansen (bv. 65–69: +10,0% vs. +3,3%) — een vrouwenrijk fonds ziet dus een groter effect; vrouwen 40–60 krijgen juist lagere kansen (ondersterfte). De waargenomen sterfteafwijkingen verklaren slechts circa 20% van het totale effect; de rest komt uit de CSO-modelkeuze (25% blijvende oversterfte, trage uitloop). En: het AG rekent tegen 3% vaste rekenrente (−1,06% gewogen op 65), deze doorrekening tegen de DNB-scenarioset met projectierente 1,5% — de lagere rente maakt de late uitkeringsjaren zwaarder en daarmee het sterfte-effect groter.
De AG2026-doorwerking raakt direct de URM-compensatiediscussie (zie de Aon-arresten in de rechtspraak-sectie): bij herijking van compensatie-uitkomsten en inkoopfactoren rond de transitie bepaalt de sterftebasis de uitkomst voor zo'n ±1% — binnen de "klein"-categorie (<5%) van het gebruikelijke beoordelingskader, maar doorslaggevend genoeg om de tabelbasis in transitieplannen expliciet te benoemen. Uitvoerers rekenen wettelijk sekseneutraal; de m/v-verhouding van het fondsbestand bepaalt het fonds-effect.
Bron: URM-rekentabellen.nl (PensioenWetwerk) — Themarapportage sterfteanalyse AG2026 · Voorbeeldfonds (8 september 2026), op basis van DNB CP2022 P-scenarioset 2026Q3 en Prognosetafels AG2024/AG2026. Indicatieve berekening op een voorbeeldfonds; de fondsactuaris bepaalt de grondslagen.
Onder een DB-stelsel houden pensioenfondsen langlopende staatsobligaties aan om hun toezeggingen af te dekken (liability-driven investing). De Wtp haalt die verplichting grotendeels weg — en daarmee een structurele vraagbron aan de lange uiteinde van de curve. De ECB waarschuwde in november 2025 dat dit de rentelasten verhoogt, juist voor de zwaarst verschuldigde Zuid-Europese landen. Empirisch onderzoek (UvA, 2026) vindt echter vooralsnog het omgekeerde voor de spillover: de Nederlandse implementatiefase gaat samen met smallere spreads in niet-hervormende landen, vooral in Zuid-Europa.
Methode: panel van 13 Europese landen, maanddata 1980–2026, met Zweden, Nederland, Noorwegen en Polen als behandelingslanden. Drie designs gecombineerd: difference-in-differences, event study rond aankondigingen, en instrumentele-variabelen-regressies (hervormingstiming geïnstrumenteerd met de vertragende ouderdomsafhankelijkheidsratio). Uitkomstmaat: 10-jaarsspreads t.o.v. Duitsland en de helling van de yieldcurve. Theoretisch kader: preferred-habitat theory (Modigliani & Sutch; Vayanos & Vila) — DB-fondsen "bewonen" de lange uiteinde van de curve; hun vertrek verhoogt daar de termijnpremie.
| Hervormingsland | Effect op eigen 10-jaarsspread (t.o.v. Duitsland) | Interpretatie |
|---|---|---|
| Zweden (NDC/DC, aankondiging 1994) | +1,0 pp (DiD) · +1,89 pp (IV) | Steun voor het vraagkanaal: vertrek van een grote binnenlandse houder verlaagt de vraag naar lang papier. Nuance: de geïnstrumenteerde implementatiecoëfficiënt keert om (−2,36 pp) — een artefact van het single-country IV-design zonder tijd-fixte effecten, dat de algemene spreaddaling van die jaren absorbeert |
| Polen (gefinancierde 2e pijler, 1999) | +0,90 pp (DiD) · +2,23 pp (IV) | Consistent met vraagkanaal; kanttekening: transitiekosten werden grotendeels via de staatsSchuld gefinancierd, dus een aanbodeffect kan meespelen; de Poolse hervorming werd in 2013 bovendien gedeeltelijk teruggedraaid (verplichte premies verlaagd, obligatiehouders terug naar het sociale verzekeringsfonds) — in het onderzoek afgevangen met een aparte reversal-dummy |
| Nederland (Wtp, vanaf jul 2023) | Positief, nog niet significant | Transitie is nauwelijks begonnen — eigen-effect pas na afronding (2027/2028) echt te meten |
| Noorwegen (NDC, 2011) | Negatief (significant) | Geen grote binnenlandse obligatiehouder verwijderd; vraagkanaal niet van toepassing |
| Spillover NL → andere EU-landen | −2,39 pp spreadcompressie in controlelanden | Kapitaal dat niet langer in de veiligste obligaties hoef te zitten, lijkt richting hoger renderend papier (Zuid- en Centraal-Europa) te bewegen — tégen de ECB-waarschuwing in |
Bron: Netspar Industry Paper 2026-39 — D. Massop, "The effect of major pension reforms on government bond yields", MSc Quantitative Finance, Universiteit van Amsterdam (15 augustus 2026), gepubliceerd in de Netspar Industry Paper-reeks. Industry papers zijn werkdokumenten: niet peer-reviewed, maar wel formeel uitgegeven en geciteerd als instituutspublicatie. De spillover-bevinding blijft een correlatie, geen bewezen causaal effect; het Nederlandse eigen-effect is nog niet significant (transitie nauwelijks begonnen); de spillover-coëfficiënt rust op ±30 maanden data en kan mee bewegen met de Trump-policy-shock en andere gemeenschappelijke factoren. De auteur noemt "re-estimeren na afronding van de transitie" als belangrijkste vervolgonderzoek. Neem deze bevindingen dus als indicatief signaal, niet als vaststaand effect.
Bronnen: Massop (2026) — Netspar Industry Paper 2026-39 · ECB Financial Stability Review (november 2025) · ING Think (2025) · PIMCO (2024) · Vayanos & Vila (2021), preferred-habitat framework.
De Wtp is bewust gedecentraliseerd: sociale partners ontwerpen de regeling, het fondsbestuur voert uit en neemt het invaarbesluit, toezichthouders toetsen — ieder op een eigen spoor. Deze sectie brengt de rollen naast elkaar, inclusief wat een rol niet doet. Juist die afbakening is in de adviespraktijk vaak de bron van verwarring.
| Rol | Doet | Doet niet |
|---|---|---|
| Sociale partners (of de werkgever als die er niet zijn) | Inhoud van de regeling en het transitieplan: contractkeuze (SPR/FPR), premie, compensatie, partnerpensioen | Uitvoering, beleggingen, invaarbesluit |
| Fondsbestuur | Uitvoering, implementatieplan, invaarbesluit, evenwichtige belangenafweging | De regeling ontwerpen alsof het een cao-partij is |
| Verantwoordingsorgaan bij bedrijfstak- en ondernemingsfondsen | Oordeel over het beleid van het bestuur; hoorrecht bij invaren | Het invaarbesluit zelf nemen |
| Belanghebbendenorgaan bij beroepspensioenfondsen en APF-kringen | Advies- of goedkeuringsrechten, onder meer bij invaren | Dezelfde rol als het verantwoordingsorgaan bij een bedrijfstakfonds |
| Intern toezicht raad van toezicht, of niet-uitvoerende bestuurders in een one-tier board | Toezicht op het bestuur | De regeling of de beleggingen overnemen |
| DNB | Prudentieel: bestuurdersgeschiktheid, financiële opzet, overbruggingsplan, verklaring van geen bezwaar / invaarbeschikking bij invaren | Deelnemerscommunicatie en keuzebegeleiding |
| AFM | Gedrag en informatie: UPO, transitiecommunicatie, keuzebegeleiding | Dekkingsgraad, buffers, invaarvergunning |
Let op de spiegelstructuur: DNB toetst het besluit (is het fonds financieel en bestuurlijk klaar om in te varen?), AFM toetst de begeleiding (begrijpt de deelnemer wat hem overkomt en welke keuzes hij heeft?). Een fonds kan prudentieel groen licht hebben en toch in de communicatie aanschrijvingen krijgen — en omgekeerd.
In het transitieregister is de besluitketen zichtbaar per fonds: 43 invaarbesluiten/beschikkingen zijn geregistreerd (Kamerbrief 1 juli 2026), en de registerrecords tonen per fonds welke stap bereikt is — transitieplan, implementatieplan, verklaring van geen bezwaar, of volledig gerealiseerde overgang.
De Wtp-transitie eindigt op 1 januari 2028 — maar niet het hele stelsel vaart in. Wat gebeurt er met het vermogen dat achterblijft onder het oude FTK, met gesloten en opgeheven fondsen, en met de grote houdbaarheidsvragen (premieaftrek, AOW-leeftijd) die ná de transitie op tafel komen? Deze sectie verbindt de losse draden die elders in dit dashboard versnipperd liggen.
Ná 2028 kent de tweede pijler feitelijk twee regimes naast elkaar: het Wtp-stelsel (lifecycle, premieaftrek tegen reële opbouw) en het FTK-archief — fondsen met lopende uitkeringsovereenkomsten die de deadline niet halen, niet hoeven te halen (geen actieve deelnemers) of via een collectieve waardeoverdracht (art. 150m Pw) worden afgeboekd. Het vermogen dat achterblijft is substantieel: per 30 juni 2026 staat nog € 1.131 mrd onder het FTK (vs. € 589 mrd Wtp — zie de DNB-dekkingsgraadsectie), tegen een FTK-dekkingsgraad van 131,4% en een beleidsdekkingsgraad van 127,7% (Q2 2026). Voor zover uitkeringsovereenkomsten blijven bestaan, blijft het FTK-regime van kracht: rekenrente, herstel- en indexatiekader lopen door. Er bestaat ook een wettelijke route "voortzetting als solidaire of flexibele premieregeling zonder invaren" — met een eigen implementatieplan-melding bij DNB. Dit is de restvloeistof van het stelsel: zonder nieuwe premieopbouw, maar met jarenlange uitvoerings-, beleggings- en toezichtplichten, en oplopende kosten per deelnemer naarmate de populatie krimpt.
Bronnen: DNB — Overbruggingsplan pensioenfondsen · DNB — Sectorbeeld Wtp-transitie (4e monitoring) · PMA — Transitie-FTK (minimale invaardekkingsgraad 98%) · PwC — Verlenging pensioentransitie tot 1-1-2028.
Het transitieregister in dit dashboard telt 54 fondsen zonder overgangsdatum — waarvan 22 met expliciete status "geen overgang (FTK/verzekeraar)" en 32 met status "onbekend" — plus 5 records zonder invaren (collectieve waardeoverdrachten). Drie eindstaties, vaak door elkaar gehaald:
| Eindstatie | Kenmerk | Route & fiscaal-juridisch effect | Voorbeelden uit het register |
|---|---|---|---|
| FTK-archieffonds | Gesloten voor nieuwe opbouw; lopende uitkeringen en rentabilisatie blijven | Blijft onder FTK- en Pensioenwetregime; afwikkeling duurt tot de laatste deelnemer; vaste lasten per hoofd stijgen naarmate de populatie krimpt (koppeling: Bell-kosten) | Fondsen zonder opvolger die de verplichtingen "uitkopen" |
| Overdracht aan verzekeraar / APF | Verplichtingen gaan over naar verzekeraar, APF of PPI | Run-off-transactie; de pensioenvrijstelling van het fonds valt weg — winst of verlies wordt afgeroepen tegen de economische waarde van de verplichtingen | Staples, Yara, Campina, Nedlloyd, Trespa, Atos, Delta Lloyd |
| Opheffing (liquidatie) + CVWO | Fonds lost af; deelnemers gaan collectief over | Bij liquidatie is CVWO verplicht (art. 84 Pw); vrijwillig via bevoegdheidsroute (art. 83 Pw); verdeling van meer-/onderwaarde bepaalt de overdrachtswaarde per deelnemer | IFF → Stap; Kas Bank → De Nationale APF (interne CVWO's, art. 150m Pw) |
Een FTK-archieffonds blijft zelfstandig bestaan en beheert de verplichtingen in eigen hand — met doorlopende DNB-vergunning, bestuur, accountant en beleggingsbeleid. Een opheffingsfonds verdwijnt: de entiteit lost op en de verplichtingen verhuizen (CVWO of verzekeraar). De fiscale behandeling van de deelnemer verschilt wezenlijk: bij een run-off aan een verzekeraar vervalt de premievrijstelling; bij een CVWO gaat de (boek)waarde van oude aanspraken als opgebouwd pensioen mee naar de nieuwe premieregeling — een overdrachtsvraagstuk dat tot ver in de jaren 2030 doorwerkt.
Bronnen: eigen transitieregisteranalyse (Pensioennetwerk-register, versie 19 oktober 2026, zie sectie 20) · DNB — Collectieve waardeoverdracht (art. 83/84 Pw) · DNB — Regeling melden interne CVWO (art. 150m Pw).
Sinds de Wtp (1 juli 2023) is er een sterke toename in pensioen buy-outs: (gesloten) fondsen varen niet in, maar dragen hun aanspraken en vermogensreserves over aan een commerciële levensverzekeraar. Door gestegen rentes en hoge dekkingsgraden kon daarbij vrijwel altijd een eenmalige inhaalindexatie plus een gegarandeerde toekomstige indexatie (vaak gekoppeld aan de Europese inflatie) worden ingekocht.
Volgens DNB is een buy-out vooral voor kleinere fondsen aantrekkelijk: de complexiteit van de Wtp-overgang wordt vermeden en de deelnemer krijgt zekerheid over uitkering én indexatie. De marktomstandigheden zijn gunstig door de relatief hoge rente; voor verzekeraars bieden buy-outs groeikansen — al legt elke overname eerst kapitaal vast (bij a.s.r. duurt de terugverdientijd van een buy-outcontract, modelmatig, ruim tien jaar). Tel-meer: het DNB-venster (€ 7 mrd, 15 fondsen, Q3 2025) overlapt met Athora's eigen score van circa € 8 mrd over tien fondsen — de werkelijke markt is niet de som van beide cijfers, en latere transacties (Delta Lloyd, Campina, AT&T in 2026) vallen er allemaal buiten.
| Pensioenfonds | Verzekeraar | Overgedragen vermogen | Indexatie bij overdracht | Moment |
|---|---|---|---|---|
| SPT (Tandartsen) | a.s.r. | € 1,6 mrd | Eenmalig +25%, daarna gegarandeerd +0,5% per jaar | Per december 2024 |
| Delta Lloyd Pensioenfonds | Zwitserleven (Athora) | € 3,1 mrd (~12.000 deelnemers) | Eenmalig +7,0%, daarna jaarlijks meestijgend met de Europese inflatie | 2026 |
| Stichting Pensioenfonds Staples | Aegon Levensverzekering (a.s.r.) | Niet openbaar | Eind 2025 tussentijds ~+1,8%; per 1-1-2026 jaarlijks gegarandeerd volgens 100% Europese prijsinflatie | Overdracht per 1 juli 2025 |
| Pensioenfonds Campina | Zwitserleven (Athora) | € 1,25 mrd (~9.000 deelnemers, waarvan 6.400 gepensioneerden) | Levenslange jaarlijkse indexatie gelijk aan de Europese inflatie (100% HICPxT), plus inhaalindexatie | Vanaf juli 2026 |
| Nedlloyd Pensioenfonds | Zwitserleven (Athora) | ~€ 950 mln (~8.200 deelnemers) | Eerste 4 jaar vaste jaarlijkse indexatie van 3%, daarna jaarlijkse verhoging van rond de 1,3% (definitief later vastgesteld) | 2025 |
| AT&T Nederland (SPAN) | Zwitserleven (Athora) | ~€ 170 mln (~500 deelnemers; plus ~€ 3,5 mln DC-kapitaal naar Zwitserleven PPI) | Eenmalige inhaalindexatie +5,68%, daarna jaarlijkse indexatie gelijk aan de Europese prijsinflatie (100% HICPxT) | April 2026 |
| Trespa I.L. | Zwitserleven (Athora) | ~€ 180 mln (~1.300 deelnemers) | Eenmalige verhoging +10,5% (1 april 2025), daarna vaste jaarlijkse indexatie (hoogte later vastgesteld) | April 2025 |
| Will Niemeijer | Nationale-Nederlanden | Volledige verplichtingen | Niet openbaar | Juli 2024 |
| Coram | a.s.r. | Uitkeringen + opgebouwde rechten | Eenmalig +3,5%, daarna jaarlijks gegarandeerde toeslag | Q4 2024 |
| GE Artesia (GE European Pension Fund OFP) | Achmea Pensioen & Levensverzekeringen | ~€ 200 mln (1.200 oud-medewerkers) | Eenmalige verhoging, daarna jaarlijkse indexatie volgens de Europese inflatie-index | Eind 2026 (grensoverschrijdende buy-out) |
| BAT (British American Tobacco) | a.s.r. | Niet openbaar | Niet openbaar | Mei 2025 |
| Pensura | Athora Netherlands | Niet openbaar | Niet openbaar | 2024 |
De transacties bevestigen het patroon van de restvloeistof-kaart: de overdrachtsroute "verzekeraar" is geen randverschijnsel maar een volwaardige derde eindstatie, die in snel tempo marktaandeel pakt — ten koste van het FTK-archief én van niet-invarende premieregelingen.
Bronnen: DNB — Verzekeraars nemen voor € 7 miljard pensioenfondsen over · Athora — Delta Lloyd Pensioenfonds € 3,1 mrd naar Zwitserleven · Athora — Pensioenfonds Campina € 1,25 mrd naar Zwitserleven · Athora — Nedlloyd Pensioenfonds naar Zwitserleven (~€ 950 mln) · Athora — Pensioenfonds Trespa naar Zwitserleven (~€ 180 mln) · Athora — AT&T naar Zwitserleven (~€ 170 mln) · a.s.r. — SPT buy-out (dec 2024) · a.s.r. — Case SPT: deelnemers krijgen extra's · a.s.r. — BAT naar a.s.r. (mei 2025) · a.s.r. — Coram buy-out · AM — Achmea neemt rechten GE Artesia over · Athora — Buy-out Pensura (2024) · Zwitserleven — Buy-out voor pensioenfondsen · NN — De buy-out: pensioenaanspraken verzekeren · Pensioenfonds Staples — FAQ toekomst fonds · De Belegger — Elke pensioenovername legt bij a.s.r. eerst kapitaal vast.
De Kamer verwierp het voorstel-Joseph c.s. voor meer deelnemerszeggenschap bij interne CVWO's: het besluit ligt bij bestuur en sociale partners, onder de evenwichtige belangenafweging die de rechtspraaksectie behandelt. Wie op 1-1-2028 nog een uitkeringsovereenkomst heeft en niet overstapt, valt terug op de hardnekkigheid van het FTK — overbruggingsplan, hersteloperatie en toezicht lopen door. Deadline-verschuivingen gebeuren voortaan via AMvB, zodat de wetgever snel kan ingrijpen.
De Wtp verruimde de premieregelingsruimte van 13,3% naar 30% van het pensioengevend inkomen (per 1-1-2023). Open fiscale einden na 2028: de vermogensrendementsheffing op de solidariteitsreserve (belastingheffing op vermogen binnen een collectieve pot — het oude FTK-vraagstuk in nieuw jasje), de aftrekstatus van premie boven het fiscale plafond, en de behandeling van (boek)winsten uit run-off en CVWO-meerwaarde. Elk van deze dossiers kan de houdbaarheidsoperatie "Pensioenopbouw in balans" (IBO 2024) opnieuw openen.
De AOW-leeftijd gaat in 2028 naar 67 jaar en 3 maanden (vast tot en met 2031). De bestaande koppeling uit het Pensioenakkoord 2019 blijft ongewijzigd: +8 maanden per extra levensjaar. Minister Vijlbrief liet in maart 2026 weten dat de voorgestelde 1-op-1-koppeling (AOW-leeftijd volledig meebewegen met de levensverwachting) voorlopig van tafel is — niet de bestaande 8-maanden-koppeling; het CPB acht koppeling noodzakelijk maar niet voldoende — ook Wml-indexering, arbeidsparticipatie en de Wtp dragen de houdbaarheid. Doorgerekend effect op de pijlers (indicatief, gebaseerd op de AG2026-prognosetafel in dit dashboard):
| Maatregel | Effect 1e pijler (AOW) | Effect 2e pijler (FTK-archief & Wtp) |
|---|---|---|
| AOW-leeftijd +3 mnd (2028, vastgesteld) | Ongeveer ¼ jaar extra premie-inkomsten per cohort; beslag op de Rijksbegroting licht dalend | +3 mnd uitkeringsduur voor FTK-archieffondsen → hogere verplichtingen, direct zichtbaar in de FTK-dekkingsgraad; in Wtp-premieregelingen verschuift de lifecycle-uitschuifdatum naar latere beleggingsjaren |
| Volledige koppeling (1-op-1 i.p.v. 8 mnd per levensjaar) | Structurele houdbaarheidswinst op de AOW-uitgaven (CPB) | FTK-archieffondsen kunnen de dekkingsgraadschok niet meer wegwerken met indexatie-ruimte: geen nieuwe premie-inkomsten = verstarde balans; hogere rentegevoeligheid blijft |
| Verlaging/afschaffing koppeling (politiek alternatief) | Begrotingsbeslag stijgt door vergrijzing: aandeel gefinancierd uit algemene middelen groeit (Vijlbrief) | Kortere uitkeringsduur en lagere verplichtingen — maar het houdbaarheidsgat verplaatst zich naar de Rijksbegroting |
Let op: een AOW-leeftijdverhoging valt bij FTK-archieffondsen zwaarder dan bij Wtp-fondsen, omdat archieffondsen geen nieuwe premie-inkomsten hebben om de langere uitkeringsduur te bufferen — het volle effect komt op de dekkingsgraad.
Bronnen: Geldzaken — Stijging AOW-leeftijd: dit weten we · Salaris Vanmorgen — Vijlbrief: voorlopig geen snellere koppeling AOW-leeftijd · CPB-analyse — AOW-koppeling noodzakelijk maar niet voldoende · IBO Pensioenopbouw in balans (2024) — premieregelingsruimte 13,3% → 30%.
De kern van regelmatig gepubliceerd pensioennieuws voor HR, ondernemingsraad en werkgevers — per maand de essenties met bronlinks. Samengesteld 10 oktober 2026; links gecontroleerd tot die datum. Leesversie, geen juridisch advies.
Dit Integraal Pensioendashboard is met de grootst mogelijke zorg samengesteld uitsluitend uit publiek beschikbare bronnen (zoals vermeld in de bronnenlijst). De informatie en data in dit dashboard dienen uitsluitend als algemene, informatieve weergave van de stand van het pensioenstelsel op de vermelde peildata.
Peildatum van de meest recente gegevens: 23 september 2026 (tenzij per onderdeel anders vermeld). Wijzigingen voorbehouden.